ECLI:NL:RBDHA:2019:5209
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling kleinschaligheidsinvesteringsaftrek bij investeringen in vennootschappen onder firma
Eiseres, deelnemer in diverse ondernemingen en vennootschappen onder firma, stelde dat zij recht had op de maximale KIA van € 15.687 op grond van artikel 3.41 van de Wet IB 2001. In 2016 investeerde zij in totaal € 85.649 in bedrijfsmiddelen, waarvan € 57.220 door de firma’s en € 28.429 door haarzelf afzonderlijk.
De rechtbank stelde vast dat de KIA berekend moet worden over de gezamenlijke investeringen van eiseres en de firma’s, waarbij de investeringen van de firma’s worden opgeteld bij die van eiseres. Dit leidt tot een totale investering van € 85.649 en een maximale KIA van € 15.687 volgens de tabel in artikel 3.41, tweede lid, Wet IB 2001.
De aan eiseres toe te rekenen investeringen bedragen € 55.469, bestaande uit haar aandeel in de firma-investeringen en haar afzonderlijke investeringen. Haar aandeel in de KIA bedraagt derhalve € 10.159, conform haar aangifte vennootschapsbelasting 2016. De rechtbank verwierp het standpunt van eiseres dat zij recht had op de volledige maximale KIA, omdat dit niet strookt met de wetsgeschiedenis en systematiek van artikel 3.41.
De rechtbank benadrukte dat de systematiek van de KIA bij samenwerkingsverbanden is bedoeld om gelijke behandeling te waarborgen en overmatige aftrek te voorkomen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de aanslag vennootschapsbelasting 2016 wordt ongegrond verklaard.