ECLI:NL:RBDHA:2019:5209

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 mei 2019
Publicatiedatum
22 mei 2019
Zaaknummer
18_7636
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.41 Wet IB 2001
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling kleinschaligheidsinvesteringsaftrek bij investeringen in vennootschappen onder firma

Eiseres, deelnemer in diverse ondernemingen en vennootschappen onder firma, stelde dat zij recht had op de maximale KIA van € 15.687 op grond van artikel 3.41 van de Wet IB 2001. In 2016 investeerde zij in totaal € 85.649 in bedrijfsmiddelen, waarvan € 57.220 door de firma’s en € 28.429 door haarzelf afzonderlijk.

De rechtbank stelde vast dat de KIA berekend moet worden over de gezamenlijke investeringen van eiseres en de firma’s, waarbij de investeringen van de firma’s worden opgeteld bij die van eiseres. Dit leidt tot een totale investering van € 85.649 en een maximale KIA van € 15.687 volgens de tabel in artikel 3.41, tweede lid, Wet IB 2001.

De aan eiseres toe te rekenen investeringen bedragen € 55.469, bestaande uit haar aandeel in de firma-investeringen en haar afzonderlijke investeringen. Haar aandeel in de KIA bedraagt derhalve € 10.159, conform haar aangifte vennootschapsbelasting 2016. De rechtbank verwierp het standpunt van eiseres dat zij recht had op de volledige maximale KIA, omdat dit niet strookt met de wetsgeschiedenis en systematiek van artikel 3.41.

De rechtbank benadrukte dat de systematiek van de KIA bij samenwerkingsverbanden is bedoeld om gelijke behandeling te waarborgen en overmatige aftrek te voorkomen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de aanslag vennootschapsbelasting 2016 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 18/7636

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

17 mei 2019 in de zaak tussen

[eiseres], gevestigd te [plaats], eiseres(gemachtigde: mr. E.H. Snitselaar),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 9 oktober 2018 op het bezwaar van eiseres tegen de voor het jaar 2016 opgelegde aanslag vennootschapsbelasting.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2019. Namens eiseres is verschenen mr. K.R.M. Lammers–Nales, kantoorgenoot van gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G. Bayran, P.A.M. Ernster en mr. drs. W. Graafland.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiseres exploiteert diverse kapsalons, zowel geheel voor eigen rekening en risico alsmede gezamenlijk met andere vennoten in vennootschappen onder firma (de firma’s). In 2016 is in totaal voor € 85.649 geïnvesteerd in bedrijfsmiddelen ten behoeve van de firma’s waarbij € 57.220 is geïnvesteerd door de firma’s zelf en € 28.429 door eiseres afzonderlijk.
2. Eiseres heeft een aangifte vennootschapsbelasting 2016 ingediend naar een belastbaar bedrag van € 28.015 negatief. Daarbij heeft eiseres een bedrag van € 10.159 aan kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) in aanmerking genomen. Verweerder heeft de aanslag vennootschapsbelasting 2016 opgelegd conform de ingediende aangifte.
3. In artikel 3.41 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) is het volgende bepaald (tekst 2016):
“1. Indien in een kalenderjaar wordt geïnvesteerd in bedrijfsmiddelen, en de belastingplichtige daarvoor bij de aangifte kiest, wordt een op de voet van het tweede lid berekende kleinschaligheidsinvesteringsaftrek ten laste gebracht van de winst over dat jaar.
2. Bij een investeringsbedrag in een kalenderjaar van:
meer dan
maar niet meer dan
bedraagt de kleinschaligheids-
investeringsaftrek
-
€ 2.300
€ 0
€ 2.300
€ 56.024
28% van het investeringsbedrag
€ 56.024
€ 103.748
€ 15.687
€ 103.748
€ 311.242
€ 15.687 verminderd met 7,56% van het gedeelte van het
investeringsbedrag dat de € 103.748 te
boven gaat
€ 311.242
€ 0
3.Indien de onderneming van de belastingplichtige deel uitmaakt van een samenwerkingsverband met een of meer andere belastingplichtigen die daarbij winst uit onderneming genieten of belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting, worden voor de toepassing van het tweede lid hun investeringen voor het samenwerkingsverband samengeteld.”
4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder bij het opleggen van de aanslag een te laag bedrag aan KIA in aanmerking heeft genomen. Volgens eiseres bedraagt de KIA, met inachtneming van de in artikel 3.41, tweede en derde lid, van de Wet IB 2001 geformuleerde rekenregels € 15.687. Eiseres verwijst hierbij naar de uitspraak van 30 november 2017 van Hof ’s-Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2017:5282).
5. De rechtbank is van oordeel dat in de onderhavige zaak de hoogte van de KIA op grond van de tekst en de wetsgeschiedenis van artikel 3.41 van de Wet IB 2001 als volgt moet worden bepaald. Er moet worden uitgegaan van de totale investeringen door eiseres waaronder de investeringen van de firma’s, waarbij voorts de investeringen door de firma’s op grond van artikel 3.41, derde lid, van de Wet IB 2001 dienen te worden samengeteld. De investering door de firma’s zelf van € 57.220 moet daarom worden opgeteld bij de investering door de afzonderlijk door eiseres gedane investeringen ter grootte van € 28.429, waardoor de totale investering uitkomt op € 85.649. Uit de tabel in artikel 3.41, tweede lid van de Wet IB 2001 volgt dat de KIA dan € 15.687 bedraagt. De aan eiseres toe te rekenen investeringen bedragen € 55.469. Dit bedrag bestaat uit de som van de aandelen van eiseres in de investeringen door de firma’s (€ 27.040) en het door eiseres afzonderlijk geïnvesteerde bedrag (€ 28.429). Het aandeel van eiseres in de berekende KIA van € 15.687 bedraagt dan € 10.159 (€ 55.469 / € 85.649 x € 15.687), conform hetgeen is aangegeven in de door eiseres ingediende aangifte vennootschapsbelasting 2016. De KIA voor de overige vennoten van de firma’s kan tot andere uitkomsten leiden. Zij dienen hun eigen berekening te maken met inachtneming van de investeringen van het samenwerkingsverband en - indien van toepassing - de afzonderlijke investeringen. Naar het oordeel van de rechtbank wordt de aanspraak op KIA voor de overige vennoten niet begrensd tot het restant KIA dat door de aanwezigheid van afzonderlijke investeringen door eiseres na de berekening resteert
(€ 5.528). Die begrenzing is alleen aan de orde in het geval er louter sprake is van investeringen binnen een samenwerkingsverband (zoals aan de orde in Hof Den Haag ECLI:NL:GHDHA:2019:759).
6. Het standpunt van eiseres, dat zij recht heeft op de maximale KIA van € 15.687, is naar het oordeel van de rechtbank en in afwijking van eerdergenoemde uitspraak van Hof
’s-Hertogenbosch niet in overeenstemming met de strekking van de in het tweede en derde lid van artikel 3.41 Wet IB 2001 neergelegde systematiek van de KIA bij samenwerkingsverbanden. Beoogd is immers dat leden van een samenwerkingsverband niet worden bevoordeeld ten opzichte van eenmanszaken of BV’s, dat investeringen boven het bedrag van de tweede schijf leiden tot een lagere aftrek dan investeringen binnen de tweede schijf en dat investeringen boven het bedrag van de derde schijf worden afgetopt. Bij het volgen van het standpunt van eiseres zouden die doelstellingen niet worden bereikt. De rechtbank is voorts van oordeel dat de tekst van het tweede en derde lid van artikel 3.41 Wet IB 2001 evenmin steun geeft aan de opvatting van eiseres. Uit niets blijkt immers dat toepassing van het derde lid tot een verschillende berekening van de KIA zou leiden al naar gelang de toe te passen schijf van het tweede lid een percentage dan wel een vast bedrag vermeldt. De uitleg die eiseres voorstaat zou in het onderhavige geval ook tot het ongerijmde gevolg leiden dat zij recht heeft op de maximale KIA van € 15.687 uit de derde schijf, terwijl het totaal van de afzonderlijke investering van eiseres en haar aandeel in de investering van de firma’s onder het bedrag van de derde schijf blijft.
7. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. de Hek, rechter, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,
2500 EH Den Haag.