ECLI:NL:RBDHA:2019:6207
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen maatregel bewaring en afwijzing schadevergoeding wegens zicht op uitzetting naar Iran
Eiser werd op 2 maart 2019 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De maatregel werd op 14 mei 2019 opgeheven. De rechtbank onderzocht of de tenuitvoerlegging van de bewaring voorafgaand aan de opheffing onrechtmatig was geweest.
De rechtbank overwoog dat de maatregel tot het moment van een eerdere uitspraak rechtmatig was. Het geschil betrof derhalve de periode daarna. Eiser stelde dat het zicht op uitzetting naar Iran ontbrak, omdat de Iraanse autoriteiten alleen een laissez-passer verstrekken indien de vreemdeling vrijwillig terugkeert, waardoor dwanguitzetting niet mogelijk zou zijn.
De rechtbank concludeerde dat het enkele feit dat het onduidelijk was wanneer eiser gepresenteerd kon worden bij de Iraanse autoriteiten niet betekent dat het zicht op uitzetting ontbrak. Verweerder had gesteld dat laissez-passers worden verstrekt indien de vreemdeling verklaart terug te willen keren en dat dwanguitzetting via vliegtuigmaatschappijen mogelijk is. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.