ECLI:NL:RBDHA:2019:6303

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 april 2019
Publicatiedatum
25 juni 2019
Zaaknummer
NL19.5276 (beroep) en NL19.5277 (vovo)
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013Tarakhel-arrest EHRMVreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublin Italië

Eiser, een Nigeriaanse asielzoeker, verzocht om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in Nederland. Verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, nam de aanvraag niet in behandeling omdat op grond van de Dublinverordening Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Nederland had een verzoek tot terugname ingediend bij Italië, maar Italië reageerde niet binnen de gestelde termijn, waardoor Italië automatisch verantwoordelijk werd.

Eiser voerde aan dat hij een kwetsbare asielzoeker is met psychische klachten en suïcidale uitingen. Hij betoogde dat de asielprocedure in Italië niet aan de Europese minimumeisen voldoet, verwijzend naar het Tarakhel-arrest, het Salvini-decreet en het politieke klimaat in Italië. Tevens bracht hij rapporten van mensenrechtenorganisaties in. De rechtbank verwees naar recente uitspraken van de meervoudige kamer die geen systeemfouten in Italië constateerden die het interstatelijk vertrouwensbeginsel zouden ondermijnen.

Eiser verzocht de zaak aan te houden in afwachting van een nieuw rapport van de Asylum Information Database, maar de rechtbank zag geen aanleiding tot aanhouding vanwege het ontbreken van concrete informatie over de inhoud en publicatiedatum van het rapport. Ook faalde het betoog dat Nederland de aanvraag onverplicht moest behandelen vanwege de psychische toestand van eiser, omdat deze niet met objectieve medische stukken was onderbouwd.

De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat verweerder de aanvraag terecht niet in behandeling heeft genomen. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen, en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Italië is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL19.5276 (beroep) en NL19.5277 (voorlopige voorziening)
[persoonsnummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en voorzieningenrechter van 4 april 2019 in de zaak tussen

[eiser] , eiser/verzoeker, hierna: eiser

(gemachtigde: mr. J.M.M. Heilbron),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. V.A.G. Berentsen-Van Dijk).

Procesverloop

Met het besluit van 6 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2019. Eiser was op de zitting aanwezig, samen met zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen E. Tackey. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Nigeriaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1987.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening [1] is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. De Italiaanse autoriteiten hebben niet binnen de daarvoor geldende termijn gereageerd, zodat Italië op 6 februari 2019 van rechtswege verantwoordelijk is geworden voor de asielaanvraag van eiser.
De beroepsgronden van eiser
3. Eiser voert aan dat hij is aan te merken als een kwetsbare asielzoeker. Hij heeft psychische klachten en heeft zich suïcidaal geuit. Eiser betoogt dat zijn asielprocedure in Italië niet zal verlopen conform de Europese richtlijnen en dat Italië zijn internationale verplichtingen niet zal nakomen ten aanzien van de asielprocedure en ten aanzien van de minimumeisen die gesteld zijn aan de opvang van kwetsbare asielzoekers. Eiser doet in dit verband onder meer een beroep op het Tarakhel-arrest [2] . Daarnaast wijst eiser op het Salvini decreet en het huidige politieke klimaat in Italië. Eiser heeft ook een brief van 1 maart 2019 van Vluchtelingenwerk Nederland ingebracht. Die brief gaat over de recente situatie in Italië waarbij verwezen wordt naar een groot aantal rapporten van mensenrechtenorganisaties en media. Naar aanleiding van onder meer deze recente informatie heeft deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, op 29 januari 2019 een drietal Dublinzaken doorverwezen naar de meervoudige kamer. Eiser verzoekt zijn zaak aan te houden totdat de meervoudige kamer uitspraak heeft gedaan.
De beoordeling door de rechtbank
4. De meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, heeft op 28 maart 2019 in voornoemde drie zaken uitspraak gedaan [3] . In die uitspraken heeft de rechtbank onder meer overwogen dat voor zover er informatie is ingebracht die niet uitdrukkelijk is meegewogen door de Afdeling in haar recente uitspraken [4] en waarin nieuwe relevante feiten en omstandigheden naar voren komen, daaruit niet blijkt van dermate aan het systeem gerelateerde tekortkomingen dat op grond daarvan niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan.
5. Eiser heeft in deze zaak een beroep gedaan op dezelfde rapporten van mensenrechtenorganisaties en media als in de zaken die door de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, zijn behandeld. De rechtbank ziet geen aanleiding om anders te concluderen dan de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem. De beroepsgrond faalt dan ook.
6. Eiser heeft verder op de zitting aangevoerd dat op korte termijn een nieuw rapport van het ‘Asylum Information Database’(AIDA) zal verschijnen. Volgens eiser is dat rapport relevant voor deze zaak omdat het gaat over de daadwerkelijke situatie in Italië. Eiser heeft
de rechtbank verzocht zijn zaak in afwachting van het rapport aan te houden. De rechtbank ziet geen aanleiding om tot aanhouding over te gaan, omdat op dit moment niet duidelijk is wanneer het rapport uitkomt. Daarbij zijn geen concrete aanwijzingen over de (te verwachten) inhoud en conclusies van het rapport.
7. Het betoog dat Nederland de asielaanvraag van eiser onverplicht in behandeling moet nemen omdat bij eiser sprake is van psychische klachten en suïcidedreiging in verband met de overdracht aan Italië, volgt de rechtbank evenmin. Eiser heeft zijn psychische klachten niet met objectieve medische stukken onderbouwd. Eiser heeft daarmee de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht niet aangetoond. Verweerder hoefde daarom bij het nemen van het overdrachtsbesluit niet te beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen en welke voorzorgsmaatregel eventueel noodzakelijk zijn bij de overdracht. De rechtbank wijst in dit verband op vaste rechtspraak van de Afdeling [5] .
8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de beroepsgronden van eiser niet slagen en dat verweerder de aanvraag terecht niet in behandeling heeft genomen, op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Het beroep is ongegrond.
9. Omdat de rechtbank met deze uitspraak op het beroep beslist, is geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak met nummer NL19.5276, verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak met nummer NL19.5277, wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.C. Dankbaar, griffier.
griffier
(voorzieningen)rechter
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend.
2.Uitspraak van 4 november 2014 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, nr. 29217/12.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4131.