ECLI:NL:RBDHA:2019:7114
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens niet aannemelijke identiteit en familierechtelijke relatie in nareiszaak
Eisers, met de Eritrese nationaliteit, vroegen om een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis via een pleegouder die stelde dat zij hun pleegouder was sinds het overlijden van hun ouders. Verweerder wees de aanvraag af omdat eisers hun identiteit en die van hun biologische ouders niet aannemelijk hadden gemaakt, waardoor de familierechtelijke relatie niet was vastgesteld.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht het standpunt innam dat eisers geen substantiële indicatieve documenten hadden overgelegd ter onderbouwing van hun identiteit en die van hun biologische ouders. Het rapport van Bureau Documenten concludeerde met grote waarschijnlijkheid dat de overgelegde voogdij- en overlijdensaktes vals waren, evenals de legalisaties door Eritrese autoriteiten.
Eisers konden dit rapport niet gemotiveerd betwisten en verweerder hoefde tijdens de hoorzitting geen aanvullende vragen te stellen omdat eisers schriftelijk hadden kunnen reageren. De rechtbank concludeerde dat de afwijzing van de aanvraag terecht was gebaseerd op het rapport en dat de familierechtelijke relatie niet was vastgesteld.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard wegens het niet aannemelijk maken van identiteit en familierechtelijke relatie.