ECLI:NL:RBDHA:2019:738

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 januari 2019
Publicatiedatum
29 januari 2019
Zaaknummer
NL18.21482
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a Vreemdelingenwet 2000Art. 3 EVRMArt. 4 Handvest van de Grondrechten van de Europese UnieRichtlijn 2011/95/EU
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet-ontvankelijkheid asielaanvraag wegens rechtmatig verblijf in Griekenland

Eiseres, van Syrische nationaliteit, diende een asielaanvraag in Nederland in, die door de staatssecretaris niet-ontvankelijk werd verklaard omdat zij en haar dochter reeds internationale bescherming hadden gekregen in Griekenland. De staatssecretaris baseerde zich op het interstatelijk vertrouwensbeginsel dat ervan uitgaat dat Griekenland zijn verplichtingen nakomt.

Eiseres voerde aan dat Griekenland zijn verplichtingen niet nakomt, onder meer vanwege onvoldoende medische zorg en vrees voor eerwraak door haar broer. Zij overlegde medische verklaringen en verwees naar jurisprudentie, maar de rechtbank oordeelde dat zij niet aannemelijk had gemaakt dat zij in Griekenland geen adequate bescherming of medische behandeling ontvangt of dat zij zich tevergeefs tot hogere autoriteiten had gewend.

De rechtbank verwierp het beroep en stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel terecht werd toegepast. Ook achtte zij de prejudiciële vragen van het Duitse Bundesverwaltungsgericht niet van doorslaggevende betekenis voor de rechtmatigheid van het besluit. Het beroep werd ongegrond verklaard zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de niet-ontvankelijkverklaring van haar asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.21482
V-nummers: [nummer 1] en [nummer 2]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] , eiseres

(gemachtigde: mr. H.A.C. Klein Hesselink),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. K. Bruin).

ProcesverloopBij besluit van 13 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak met kenmerk NL18.21484, plaatsgevonden op 19 december 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is opgetreden A. Khabote.

Overwegingen

1. Eiseres is van Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum 1] . Zij heeft op 26 oktober 2018 mede ten behoeve van haar dochter [naam 2] , geboren op [geboortedatum 2] en eveneens van Syrische nationaliteit, een asielaanvraag ingediend.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 niet-ontvankelijk verklaard, omdat de Griekse autoriteiten op 15 juni 2017 aan eiseres en haar dochter internationale bescherming hebben verleend. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel gaat verweerder ervan uit dat Griekenland zijn verplichtingen jegens eiseres en haar dochter zal nakomen. Ten aanzien van de gestelde vrees voor eerwraak van de zijde van haar broer heeft verweerder overwogen dat eiseres zich hiervoor kan wenden tot de Griekse autoriteiten. Eiseres heeft volgens verweerder niet onderbouwd dat zij zich daadwerkelijk voor bescherming tot de (hogere) autoriteiten heeft gewend.
3. Wat eiseres in beroep hiertegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.
De rechtbank oordeel als volgt.
4. Volgens eiseres worden de zogenoemde Dublinclaimanten niet overgedragen aan Griekenland omdat Griekenland ten aanzien van die asielzoekers zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Daarmee is volgens eiseres gegeven dat ten aanzien
van Griekenland niet ongeclausuleerd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat de positie van Dublinclaimanten niet met die van eiseres vergelijkbaar is. Eiseres is immers in het bezit gesteld van een asielvergunning, waaraan bijbehorende rechten zijn verbonden. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van
30 mei 2018 [1] over de situatie van statushouders in Griekenland. De Afdeling heeft dit oordeel nogmaals bevestigd bij uitspraak van 22 juni 2018 [2] .
5. In beroep heeft eiseres een vertaling van een verklaring van een Griekse psychiater/psychoanalyticus Georgios Dermatis van 28 februari 2018 overgelegd. Daaruit blijkt onder meer dat eiseres en haar dochter beiden lijden aan een post-traumatische stress stoornis, dat zij beiden behandeling nodig hebben en dat de arts antidepressiva voorschrijft.
Volgens eiseres heeft zij in Griekenland niet de noodzakelijke medische behandeling ontvangen die zij nodig heeft.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres ook door het overleggen van deze verklaring niet heeft aangetoond dat zij verstoken was van medische hulp of ondersteuning. Van eiseres kan worden verlangd dat zij als statushouder in Griekenland inspanningen levert om haar rechten op medische (psychische) behandeling te effectueren. Daar hoort bij dat eiseres, indien nodig, in Griekenland klaagt bij de (hogere) autoriteiten. Hetzelfde oordeel geldt ten aanzien van de vrees van eiseres voor eerwraak van de zijde van haar broer. Van eiseres mag worden verwacht dat zij zich zo nodig wendt tot de (hogere) autoriteiten in Griekenland om te klagen over de handelwijze van de Griekse politie. Verweerder heeft verder terecht overwogen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in Griekenland tevergeefs hulp en bescherming heeft gezocht. Verder is niet gebleken dat zij zich tot de hogere autoriteiten in Griekenland heeft gewend, zodat niet kan worden geconcludeerd dat de Griekse autoriteiten haar niet willen of kunnen helpen. De rechtbank ziet in het AIDA Country Report, 2017 Update, dat eiseres heeft overgelegd, geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Uit dit rapport komt geen wezenlijk ander beeld naar voren ten aanzien van de positie van statushouders dan het beeld dat is beschreven in de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2018.
6. Eiseres heeft zich in beroep nogmaals beroepen op de uitspraak van 8 mei 2017 van het Bundesverfassungsgericht [3] , welke zij bij zienswijze heeft overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit eiseres niet baten nu deze uitspraak dateert van vóór de voornoemde uitspraken van de Afdeling. Daarnaast volgt uit de uitspraak van de Duitse rechter evenmin dat eiseres bij terugkeer naar Griekenland als statushouder voor een met artikel 3 van Pro het EVRM [4] strijdige behandeling heeft te vrezen. In die uitspraak zijn slechts zorgen geuit over de situatie van statushouders in Griekenland en is een nadere onderzoeksopdracht gegeven aan de lagere rechtspraak. Ook de verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 6 april 2018 [5] , leidt niet tot een ander oordeel, nu er geen sprake is van gelijke gevallen. In die zaak heeft verweerder immers de verklaring van de vreemdeling, dat zij zich meermaals tevergeefs tot de autoriteiten had gewend, niet betwist.
7. Ten aanzien van het subsidiaire verzoek van eiseres om aanhouding van het beroep, in afwachting van de beantwoording van de door het Duitse Bundesverwaltungsgericht op 15 september 2017 aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde prejudiciële vragen [6] , overweegt de rechtbank als volgt.
De vraag die daarin aan de orde komt is of een vreemdeling die internationale bescherming geniet in een andere lidstaat, een nieuwe erkenningsprocedure kan starten, zonder dat de aanvraag niet-ontvankelijk wordt verklaard, wanneer de levensomstandigheden van de vreemdeling in de lidstaat waar hij al internationale bescherming heeft gekregen, in strijd zijn met artikel 4 van Pro het Handvest [7] en artikel 3 van Pro het EVRM, dan wel wanneer de levensomstandigheden niet voldoen aan de vereisten van de Kwalificatierichtlijn [8] , zonder in strijd te zijn met artikel 4 van Pro het Handvest en artikel 3 van Pro het EVRM.
Naar het oordeel van de rechtbank zal de beantwoording van de prejudiciële vragen voor de rechtmatigheid van het bestreden besluit niet van beslissende betekenis zijn. Er is namelijk niet gebleken dat de levensomstandigheden voor statushouders in Griekenland niet aan de vereisten van de Kwalificatierichtlijn voldoen of dat ze in strijd zijn met artikel 4 van Pro het Handvest of artikel 3 van Pro het EVRM. De rechtbank ziet om dezelfde redenen geen aanleiding om het beroep aan te houden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen.
8. De rechtbank concludeert dat de aanvraag van eiseres terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
9. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Loonstra, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Voetnoten

3.2 BvR 157/17
4.Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
6.in de zaken C-540/17 (Hamed), C-541/17 (Omar) en C-517/17 (Addis)
7.Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie
8.Richtlijn 2011/95/EU