ECLI:NL:RVS:2018:2094
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H. Troostwijk
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vaststelling niet-ontvankelijkheid aanvraag verblijfsvergunning asiel na internationale bescherming in Griekenland
De vreemdeling, van Iraanse nationaliteit, diende op 22 augustus 2015 een asielaanvraag in Nederland in. De staatssecretaris verklaarde deze aanvraag op 10 mei 2016 niet-ontvankelijk omdat de vreemdeling internationale bescherming geniet in Griekenland. De rechtbank verklaarde dit besluit aanvankelijk ongegrond, maar de Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde deze uitspraak en verklaarde het beroep gegrond.
Op 26 mei 2017 verklaarde de staatssecretaris de aanvraag opnieuw niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank vernietigde dit besluit en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen. De staatssecretaris ging hiertegen in hoger beroep.
De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris terecht uitging van de actuele bevestiging van de Griekse autoriteiten dat de vreemdeling internationale bescherming geniet en dat de rechtbank dit onvoldoende had meegewogen. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.
De Afdeling verwierp tevens het betoog van de vreemdeling dat statushouders in Griekenland risico lopen op een schending van artikel 3 EVRM Pro, verwijzend naar een eerdere uitspraak waarin deze rechtsvraag al was beantwoord. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot niet-ontvankelijkheid van de aanvraag verblijfsvergunning wordt bevestigd.