ECLI:NL:RBDHA:2019:8609

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 augustus 2019
Publicatiedatum
22 augustus 2019
Zaaknummer
NL19.14631 en NL19.14633
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55c Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling dwangsom wegens niet tijdig beslissen op asielaanvragen en verlenging beslistermijn

Eisers hebben asielaanvragen ingediend die op 20 oktober 2016 zijn afgewezen. De rechtbank vernietigde deze besluiten in juli 2018 en gaf opdracht tot nieuwe besluitvorming. De Raad van State bevestigde dit in februari 2019. Eisers stelden verweerder in gebreke vanwege het uitblijven van nieuwe besluiten en dienden beroep in tegen het niet tijdig beslissen.

De rechtbank oordeelt dat verweerder uiterlijk 26 januari 2019 had moeten beslissen, maar dit niet heeft gedaan. Hierdoor zijn de beroepen gegrond en worden dwangsommen vastgesteld over de periode van 13 juni tot 25 juli 2019, in totaal € 2.884,-.

Verweerder verzocht om een langere beslistermijn vanwege de noodzaak van zorgvuldige besluitvorming en de mogelijkheid tot het uitbrengen van een voornemen waarop eisers kunnen reageren. De rechtbank stelt een beslistermijn van zeven weken na uitspraak vast, met een dwangsom van € 100,- per dag bij overschrijding, maximaal € 15.000,-.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten van eisers tot € 256,-. Verweerder wordt opgedragen binnen de gestelde termijn alsnog een besluit te nemen.

Uitkomst: De rechtbank stelt de dwangsommen vast, verlengt de beslistermijn tot zeven weken en veroordeelt verweerder tot het alsnog nemen van besluiten binnen deze termijn.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL19.14631 en NL19.14633
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 augustus 2019 als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen
1. [naam eiser]eiser, en
2. [naam eiseres]eiseres, mede namens hun twee minderjarige kinderen,
hierna gezamenlijk te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. M.M. Polman),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluiten van 20 oktober 2016 heeft verweerder de aanvragen van eisers om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond.
Bij uitspraak van 26 juli 2018 (AWB 16/26464 en AWB 16/26465) heeft deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, de door eisers ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten van 20 oktober 2016 vernietigd en verweerder opgedragen nieuwe besluiten te nemen op de asielaanvragen van eisers met inachtneming van die uitspraak.
Bij uitspraak van 26 februari 2019 (201806370/1/V2) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het door verweerder ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Op 24 juni 2019 hebben eisers bij afzonderlijke geschriften beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun asielaanvragen.

Overwegingen

1. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit wordt gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit.
Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan een beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop de belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalt de bestuursrechter, indien het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt.
Op grond van het tweede lid, voor zover hier van belang, verbindt de bestuursrechter aan zijn uitspraak een nadere dwangsom voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven.
Op grond van het derde lid, voor zover hier van belang, kan de bestuursrechter in bijzondere gevallen een andere termijn te bepalen.
2. Uit de uitspraken van de Afdeling van onder meer 17 september 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3442) en 16 maart 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:922) volgt dat, indien na vernietiging door de rechter geen termijn voor het nemen van een nieuw besluit is gesteld, het bestuursorgaan in beginsel dient te beslissen binnen dezelfde termijn als de termijn die gold voor het vernietigde besluit. Dat betekent in dit geval dat verweerder na de uitspraak van 26 juli 2018 opnieuw een termijn van zes maanden had om een nieuw besluit te nemen op de aanvragen van eisers. Het instellen door verweerder van hoger beroep tegen die uitspraak schort in dit geval de werking van de uitspraak niet op. Evenmin heeft verweerder de voorzitter van de Afdeling verzocht bij wijze van voorlopige voorziening alsnog schorsende werking aan het hoger beroep toe te kennen. Het voorgaande betekent dat verweerder uiterlijk 26 januari 2019 een opnieuw op de aanvragen van eisers had moeten beslissen. Op 30 mei 2019 hebben eisers verweerder in gebreke gesteld. Omdat tot op heden nog geen beslissing op de aanvragen van eisers is genomen, zijn de beroepen kennelijk gegrond.
3. Eisers hebben de bestuursrechter verzocht de hoogte van de door verweerder verbeurde dwangsommen vast te stellen met toepassing van artikel 8:55c van de Awb. Omdat sprake is van twee afzonderlijke aanvragen, waarop bij afzonderlijke besluiten dient te worden beslist, zal de bestuursrechter in beide zaken de door verweerder verbeurde dwangsom vaststellen. Gelet op artikel 4:17, tweede en derde lid, van de Awb bedraagt de dwangsom, te rekenen vanaf twee weken na de ontvangst van de ingebrekestelling, de eerste veertien dagen € 23,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35,- per dag en de overige dagen € 45,- per dag. De door verweerder verbeurde dwangsommen lopen over de periode vanaf 13 juni 2019 tot en met 25 juli 2019 en bedragen in totaal € 2.884,- (eenmaal € 1.442,- voor eiser en eenmaal € 1.442,- voor eiseres).
4.1.
Verweerder heeft op 16 juli 2019 de bestuursrechter gevraagd hem op grond van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb een langere beslistermijn op te leggen dan twee weken. Daartoe stelt verweerder dat hij geen toezeggingen kan doen over een termijn waarbinnen de aanvragen opnieuw beoordeeld worden en een beschikking dan wel een voornemen tot afwijzing van de asielaanvragen aan eisers bekend wordt gemaakt. Indien verweerder na het opnieuw beoordelen van de asielaanvragen besluit een voornemen uit te brengen, dan zullen eisers in de gelegenheid worden gesteld om binnen vier weken na ontvangst daarvan hun zienswijze op het voornemen te geven. Verweerder houdt bovenop de vier weken nog rekening met een postweek, mocht zich de situatie voordoen dat eisers tijdig een zienswijze hebben gepost, maar dat deze niet voor het einde van de termijn door verweerder wordt ontvangen. Zodra verweerder een zienswijze heeft ontvangen, streeft verweerder ernaar binnen twee weken op de aanvragen te beslissen.
4.2.
Met toepassing van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb ziet de bestuursrechter aanleiding om een nadere beslistermijn vast te stellen. Eisers hebben verzocht om een beslistermijn van twee weken vast te stellen, maar dat acht de bestuursrechter gelet op het eventueel nog uit te brengen voornemen niet reëel. Hoewel de termijn voor een nieuwe beslissing op de aanvragen van eisers is verstreken zonder dat verweerder opnieuw op de aanvragen heeft beslist en evenmin duidelijk is hoe voortvarend verweerder de zaak tot nu toe heeft opgepakt, is de bestuursrechter van oordeel dat verweerder het besluit zorgvuldig moet kunnen nemen. Uit het dossier blijkt dat verweerder tot op heden nog geen nieuw voornemen heeft uitgebracht. Ervan uitgaande dat er een voornemen wordt uitgebracht, kunnen eisers daarop binnen vier weken een zienswijze indienen. De bestuursrechter gaat er verder van uit dat daarna binnen twee weken een nieuw besluit kan worden genomen op de aanvragen. Gelet daarop zal de bestuursrechter een beslistermijn van zeven weken stellen vanaf de datum van deze uitspraak, op straffe van de na te melden dwangsom.
5. De bestuursrechter ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb te bepalen dat verweerder een dwangsom verbeurt als hij deze termijn overschrijdt. De bestuursrechter stelt de hoogte van deze dwangsom voor eisers gezamenlijk vast op € 100,- per dag, met een maximum van € 15.000,- (conform de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3934).
6. Voorts ziet de bestuursrechter aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs hebben moeten maken. De bestuursrechter stelt de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, uitgaande van samenhangende zaken, vast op € 256,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van beslissingen op de aanvragen van eisers;
  • stelt het totaal van de door verweerder verbeurde dwangsommen vast op € 2.884,-;
  • draagt verweerder op binnen zeven weken na de bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvragen bekend te maken;
  • bepaalt dat verweerder aan eisers gezamenlijk een dwangsom verbeurt van € 100,- per dag, voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 256,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Hameete, rechter, in aanwezigheid van M.G. den Ambtman, griffier.
griffier rechter
De uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op 22 augustus 2019.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.