ECLI:NL:RBDHA:2019:9344
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige bewaring wegens onvoldoende noodzakelijkheid bij asielaanvraag
Eiser, een vreemdeling met een asielaanvraag, werd op 14 augustus 2019 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege een vermeend risico op onttrekking.
De rechtbank beoordeelde of deze bewaring noodzakelijk was voor het verkrijgen van gegevens die essentieel zijn voor de beoordeling van zijn verblijfsvergunningaanvraag. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State had eerder geoordeeld dat het bestaan van een risico op onttrekking een voldoende grond voor noodzakelijkheid kan zijn, maar de rechtbank nuanceerde dit en verwees naar de beginselen van noodzakelijkheid en evenredigheid uit de Opvangrichtlijn.
De rechtbank concludeerde dat het enkel bestaan van een risico op onttrekking niet automatisch betekent dat bewaring noodzakelijk is. Ook wees zij op alternatieven zoals het buiten behandeling stellen van het asielverzoek indien de verzoeker zelf verantwoordelijk is voor het niet kunnen beslissen op het verzoek.
Daarom werd het beroep gegrond verklaard, de bewaring met ingang van 4 september 2019 opgeheven en een schadevergoeding van €1.835,- toegekend voor de onrechtmatige vrijheidsontneming. Tevens werden proceskosten van €1.024,- aan eiser toegekend.
Uitkomst: De maatregel van bewaring is onrechtmatig verklaard, opgeheven per 4 september 2019 en eiser krijgt een schadevergoeding toegekend.