Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 29 augustus 2019 in de zaken tussen
[eiser], eiser,
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
18 november 2015 de naheffingsaanslagen, de boetebeschikkingen en de rentebeschikkingen opgelegd. Verweerder heeft daarbij geen rekening gehouden met belasting die op de voet van artikel 15 Wet Pro op de omzetbelasting 1968 (Wet OB) voor aftrek in aanmerking zou kunnen komen (de voorbelasting).
€ 7.653
€ 3.490 € 1.458
“3.1Bedrijfsactiviteiten
Geen inzicht in rechten en verplichtingen
Ontbrekende aansluitingen
ontbrekende factuurnummerszijn, maar ook factuurnummers die
meerdere kerengebruikt zijn, het factuurnummer [..] is bijvoorbeeld 7x gebruikt.
Uitgeschreven facturen zijn niet in de administratie verwerkt
Dubbele factuurnummering
1 oktober 2008 aan (een deel van) zijn cliënten op facturen omzetbelasting in rekening heeft gebracht en deze belasting niet heeft voldaan, kan en mag verweerder op grond van artikel 20 van Pro de Awr voor de verschuldigde omzetbelasting een naheffingsaanslag opleggen.
- een deel van de ontvangsten ziet op diensten verricht aan niet-ondernemers die buiten de EU wonen zodat ingevolge artikel 6i Wet OB in die ontvangsten geen omzetbelasting begrepen kan zijn;
- de ontvangsten van [E] in de jaren 2010 en 2011 van respectievelijk € 24.575 en € 20.988 heeft hij op grond van een gerechtelijk vonnis uit 2015 in 2016 moeten terugbetalen en deze ontvangsten dienen daarom voor de jaren 2010 en 2011 buiten beschouwing te blijven;
- de betaling van € 31.271 door [F] in 2011 is het gevolg van een incassoprocedure en heeft betrekking op facturen uit 2007 tot en met 2011. Die betaling dient dan ook te worden toegerekend aan die eerdere jaren. De omzetbelasting die betrekking heeft op 2007 en 2008 stelt hij te hebben voldaan op zijn aangiften voor die jaren;
- in 2010 heeft eiser diverse keren geld terugbetaald aan cliënten omdat zij teveel hadden betaald. Verder heeft eiser in 2010 een bedrag van € 6.188 overgemaakt naar de echtgenoot van zijn zus. Dit betreft een terugbetaling van een eerdere declaratie gericht aan de zus, omdat er met haar een no-cure-no-pay afspraak was gemaakt. Die bedragen moeten daarom in mindering worden gebracht op de door verweerder in aanmerking genomen omzet;
- een betaling van € 1.195 in 2011 betreft een door een advocaat uitgereikte creditnota en is aldus een terugbetaling door de advocaat. Dit bedrag is daarom ten onrechte als omzet in aanmerking genomen;
- in 2010, 2012 en 2014 heeft verweerder ten onrechte betalingen als omzet aangemerkt die in werkelijkheid zagen op terugbetaling van door eiser aan cliënten voorgeschoten bedragen aan griffierecht en een aan een vriend voorgeschoten bedrag voor een gemeenschappelijke vakantie;
- ten onrechte heeft verweerder de betalingen door [K] in 2012 tot en met 2014 aangemerkt als belaste omzet aangezien het hier om deelbetalingen gaat van de door [K] betaalde overnamesom. Eiser heeft het totaalbedrag hiervan in 2010 verwerkt als stakingswinst.
(€ 6.188 x 19/119).
€ 474(19% van € 2.497,23)
€ 1.806(21% van € 8.600,97)
2.967-/- (€ 7.653,14 - € 4.686,02)
1.017-/- €
12.734-/-
€ 1.698 € 349
Beslissing
31 december 2011 tot € 9.623 en de boetebeschikking voor het tijdvak
1 januari 2012 tot en met 31 december 2014 tot € 1.977;
mr. E.E. Schotte, leden, in aanwezigheid van mr. U.A. Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2019.