Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , eiser
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
equality of armsen het uitgangspunt van artikel 23, eerste lid, van de Procedurerichtlijn (PB 2013 L 180) (hierna: de Pri), wat maakt dat zijn procespositie zwak is.
equality of armsvoldoende is gewaarborgd. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
equality of armsvoortvloeien, is onder meer neergelegd in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 47 van Pro het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. Ook los van deze verdragsbepalingen geldt dit recht in de nationale rechtsorde (zie de uitspraak van de Afdeling van 1 oktober 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3547) en omvat het onder meer het recht op gelijke proceskansen. Daaruit vloeit voort dat partijen in een procedure in beginsel recht hebben op kennisneming van alle stukken uit het dossier.
equality of armsis daarom naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.
equality of armsde rechtbank ertoe verplicht om in deze zaak een onafhankelijke deskundige te benoemen vanwege eisers procespositie en gestelde bewijsnood, volg de rechtbank evenmin. Anders dan het geval was in het door eiser in dit verband aangehaalde arrest van het EHRM in de zaak Korošec tegen Slovenië van 8 oktober 2015 (ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212; het Korošec-arrest), kan immers niet worden geoordeeld dat eiser niet de gelegenheid heeft gehad om het individuele ambtsbericht te weerspreken. De rechtbank verwijst in dit verband naar wat hiervoor is overwogen over de door eiser onbenut gelaten mogelijkheid om een contra-expertise te laten verrichten.