Uitspraak
1.ECLI:NL:RBDHA:2020:6088
2.ECLI:NL:RBDHA:2019:3262.
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
Rechtbank Den Haag
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wegens het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank stelt vast dat verweerder te laat is met het nemen van een besluit en dat eiser hem op 16 maart 2020 in gebreke heeft gesteld. Verweerder voerde aan dat de coronamaatregelen en achterstanden in de asielprocedure een redelijke termijn voor besluitvorming onmogelijk maken.
De rechtbank volgt verweerder niet in het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk zou zijn vanwege de coronamaatregelen. Zij verwijst naar eerdere jurisprudentie en benadrukt dat zij rekening kan houden met bijzondere omstandigheden bij het bepalen van een redelijke beslistermijn. Omdat eiser nog niet de gelegenheid heeft gehad zijn aanvraag te onderbouwen en het type asielprocedure nog niet is vastgesteld, legt de rechtbank een beslistermijn van zestien weken op, conform het 8+8 wekenmodel van de Afdeling bestuursrechtspraak.
Daarnaast bepaalt de rechtbank dat verweerder een dwangsom van € 100 per dag moet betalen voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500. De rechtbank wijst het verzoek van verweerder om de dwangsom te verlagen af. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van € 262,50 aan proceskosten aan eiser. De rechtbank vernietigt het niet tijdig nemen van een besluit en bepaalt dat verweerder alsnog binnen de gestelde termijn moet beslissen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, legt een beslistermijn van zestien weken op en een dwangsom van € 100 per dag bij overschrijding.