ECLI:NL:RBDHA:2020:10573
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen ongewenstverklaring vreemdeling
De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen een besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie waarin verzoeker ongewenst is verklaard en onmiddellijk Nederland moet verlaten. Verzoeker is geboren in het buitenland, heeft de Spaanse nationaliteit en verblijft sinds 2016 in Nederland. Hij is onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaar en 8 maanden voor meerdere ernstige misdrijven, waaronder poging tot doodslag.
De staatssecretaris heeft verzoeker ongewenst verklaard vanwege zijn strafrechtelijke verleden en de ernstige bedreiging die hij vormt voor fundamentele belangen van de samenleving. Verzoeker zit momenteel in strafrechtelijke detentie en is overgeplaatst naar een detentiecentrum met een minder gunstig regime. Hij verzoekt om opschorting van de ongewenstverklaring om terugkeer naar een gunstiger detentiecentrum mogelijk te maken.
De voorzieningenrechter overweegt dat een voorlopige voorziening tegen een ongewenstverklaring slechts kan leiden tot tijdelijke schorsing van uitzetting, maar niet tot wijziging van detentieregimes of rechtmatig verblijf. Aangezien verzoeker momenteel in detentie zit en er geen zicht is op uitzetting, heeft hij geen belang bij de gevraagde voorziening. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Verzoeker wordt vrijgesteld van griffierecht. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de ongewenstverklaring wordt afgewezen omdat geen belang bestaat zolang verzoeker in strafrechtelijke detentie blijft.