ECLI:NL:RVS:2008:BC7784
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- P.B.M.J. van der Beek Gillessen
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens voortduren ongewenstverklaring vreemdeling
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Justitie werd afgewezen. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank, die dit ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat de vreemdeling krachtens artikel 67 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 ongewenst was verklaard, waardoor hij geen rechtmatig verblijf kon hebben. Dit maakte dat de vreemdeling geen belang had bij het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning zolang de ongewenstverklaring voortduurde.
Hoewel de voorzieningenrechter de rechtsgevolgen van de ongewenstverklaring tijdelijk had geschorst, betekende dit niet dat de vreemdeling over een verblijfsvergunning beschikte. De schorsing betrof slechts de tijdelijke opschorting van uitzetting.
De Raad van State vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan belang door voortdurende ongewenstverklaring.