ECLI:NL:RBDHA:2020:10587
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening voor maatschappelijke opvang wegens voldoende zelfredzaamheid
Verzoekster en haar minderjarige kinderen, recent vanuit Curaçao naar Nederland gekomen, vroegen om toelating tot maatschappelijke opvang. Na eerdere afwijzing op basis van een Wmo-rapportage waarin werd geconcludeerd dat verzoekster voldoende zelfredzaam is en een redelijk sociaal netwerk heeft, werd ook het latere verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de situatie niet is gewijzigd en dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar netwerk uitgeput is. Ook is niet gebleken dat zij dringend aangewezen is op opvang in Den Haag. Het beleid 'geen kind op straat' biedt noodopvang alleen aan gezinnen die daadwerkelijk op straat staan, wat hier niet het geval is.
De rechtbank concludeert dat verzoekster en haar kinderen momenteel kunnen verblijven bij een kennis en dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zij niet in aanmerking komen voor opvang op grond van de Wmo 2015 of noodopvang. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening voor maatschappelijke opvang wordt afgewezen wegens voldoende zelfredzaamheid en ontbreken van spoedeisend belang.