Uitspraak
19.1099 WMO15
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellanten, een gezin met Nederlandse nationaliteit dat vanuit het Verenigd Koninkrijk naar Nederland is teruggekeerd, vroegen opvang aan bij het college van burgemeester en wethouders van Nissewaard op grond van de Wmo 2015. Het college wees de aanvraag af wegens het ontbreken van regiobinding en het niet aannemelijk maken van huiselijk geweld waardoor zij hun woning hadden verlaten. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd ongegrond verklaard, waarbij het college erkende dat appellanten ingezetenen zijn, maar oordeelde dat zij zelfredzaam zijn en in staat om zelf in onderdak te voorzien.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellanten ongegrond en oordeelde dat het college voldoende onderzoek had verricht en dat appellanten aanspraak kunnen maken op andere sociale voorzieningen. Appellanten stelden in hoger beroep dat onvoldoende onderzoek was gedaan en dat zij dakloos zijn, waardoor zij recht zouden hebben op opvang. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college voldoende onderzoek had gedaan en dat appellante 1, ondanks haar situatie als alleenstaande moeder en slachtoffer van huiselijk geweld, niet aannemelijk had gemaakt dat zij niet zelf in onderdak kon voorzien.
De Raad overwoog dat artikel 8 EVRM Pro geen recht op woonruimte garandeert en dat het college een fair balance heeft gevonden tussen publieke belangen en particuliere belangen. Ook het beroep op artikel 3 IVRK Pro faalde omdat het college voldoende rekening had gehouden met de belangen van de kinderen. Er was geen grond voor het benoemen van een deskundige. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag voor opvang wordt bevestigd omdat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij niet zelf in onderdak kunnen voorzien.