ECLI:NL:RBDHA:2020:11182
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens te lang verblijf in buitenland zonder dringende redenen
Eisers ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet en verbleven van 4 oktober tot 10 december 2018 in het buitenland. Verweerder trok de bijstand in vanaf 2 november 2018 vanwege overschrijding van de wettelijk toegestane verblijfstermijn van vier weken. Eisers voerden aan dat zij door een familie-ongeluk met spoed waren vertrokken en dat zij financieel niet in staat waren tijdig terug te keren door stopzetting van de uitkering.
De rechtbank oordeelde dat het verblijf langer dan vier weken was en dat dit volgens artikel 13 Pw Pro uitsluiting van bijstand tot gevolg heeft, tenzij dringende redenen volgens artikel 16 Pw Pro aanwezig zijn. Eisers konden geen dringende redenen aantonen die op henzelf betrekking hadden; de situatie van hun familie was daarvoor onvoldoende. Ook werd het beroep op het vertrouwensbeginsel verworpen omdat geen toezegging was gedaan dat zij langer in het buitenland mochten verblijven.
De rechtbank concludeerde dat er geen acute noodsituatie bestond die bijstand rechtvaardigde en dat de stopzetting van de uitkering geen overmachtssituatie opleverde die tot bijstand zou moeten leiden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de bijstand wegens te lang verblijf in het buitenland is ongegrond verklaard.