Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 6 november 2020 in de zaken tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
mr. [A] en mr. [B] verschenen.
Overwegingen
1 januari 2006 tot en met 12 april 2014 in totaal € 523.060,50 contant heeft gestort op meerdere Nederlandse bankrekeningen waarover eiser de beschikking had. Dit betroffen vijf bankrekeningen op naam van eiser (€ 446.405,50) en acht bankrekeningen ten name van derden (€ 76.655).
€ 58.306 voor 2013) en zes onroerende zaken als bezittingen in box 3 aangegeven.
€ 21.696 voor 2012 en € 21.182 voor 2013. Het netto resultaat uit overige werkzaamheden is hiermee voor 2012 vastgesteld op € 42.680 en voor 2013 op € 43.194.
-/- € 1.903 aan IB/PVV verschuldigd en was hij voor beide jaren geen premies Zvw verschuldigd. Uitgaande van eisers primaire stelling dat het vastgoed in box 3 hoort, is voor beide jaren sprake van een absoluut en relatief bezien aanzienlijk bedrag dat niet is aangegeven en zijn de vereiste aangiftes niet gedaan. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat ook indien sprake is van resultaat uit overige werkzaamheden een absoluut en relatief bezien aanzienlijk bedrag niet is aangegeven. De (wisselende) opbrengst- en kostenoverzichten van eiser, leidend tot een negatief bedrag aan resultaat uit overige werkzaamheden voor 2012, acht de rechtbank niet aannemelijk. Ook in geval van resultaat overige werkzaamheden heeft eiser de vereiste aangifte voor beide jaren niet gedaan. De bewijslast ten aanzien van de navorderingsaanslagen wordt daarom omgekeerd en verzwaard.
Beslissing
mr. A.J.M. Arends, leden, in aanwezigheid van mr. G.E. Brummel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 november 2020.