ECLI:NL:RBDHA:2020:11796
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Homologatie van akkoord na tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling
De rechtbank Den Haag behandelde de homologatie van een akkoord dat schuldenaren na tussentijdse beëindiging van hun schuldsaneringsregelingen hadden aangeboden. De schuldsaneringsregelingen waren eerder beëindigd wegens niet-nakoming van de sollicitatieverplichting. Schuldenaren boden vervolgens een akkoord aan dat door de schuldeisers met de vereiste meerderheid werd aangenomen.
De kernvraag was of de homologatie van het akkoord geweigerd moest worden op grond van artikel 153 Faillissementswet Pro, waarbij moest worden beoordeeld of de baten des boedels de som van het akkoord aanmerkelijk te boven gingen. De rechter-commissaris stelde dat onder de baten des boedels ook de hypothetische baten moesten worden verstaan die bij correcte naleving van de WSNP zouden zijn vergaard, met name rekening houdend met het minimumloon dat schuldenaren hadden kunnen verdienen.
De rechtbank oordeelde echter dat de baten des boedels beperkt zijn tot de ten tijde van het akkoord aanwezige baten en de baten die naar verwachting nog zullen worden verkregen, en dat hypothetische inkomsten wegens niet-naleving van de sollicitatieplicht niet in aanmerking worden genomen. Gezien de medische omstandigheden van schuldenaren achtte de rechtbank extra afdrachten niet waarschijnlijk, waardoor de baten des boedels de som van het akkoord niet aanmerkelijk te boven gaan.
De rechtbank besloot het ontwerpakkoord te homologeren, stelde de vergoeding van de bewindvoerder vast op €4.902,70 en het vastrecht op €1.292,-. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open.
Uitkomst: De rechtbank homologeert het akkoord omdat de baten des boedels de som van het akkoord niet aanmerkelijk te boven gaan.