Uitspraak
Rechtbank den haag
Charter Logistics B.V.,
Rechtbank Den Haag
De werknemer trad op 1 juli 2019 in dienst bij Charter Logistics als internationaal chauffeur met een concurrentiebeding dat hem verbood binnen een jaar na uitdiensttreding soortgelijke werkzaamheden binnen een straal van 50 km rondom De Lier te verrichten bij een concurrent. Na beëindiging van het dienstverband op 20 juli 2020 trad hij begin augustus 2020 in dienst bij TasTrans, dat door Charter Logistics als directe concurrent werd aangemerkt.
Charter Logistics vorderde in kort geding onder meer een verbod op het overtreden van het concurrentiebeding, beëindiging van het dienstverband bij TasTrans en betaling van contractuele boetes. De werknemer vorderde schorsing of beperking van het concurrentiebeding en een vergoeding op grond van artikel 7:653 lid 5 BW Pro.
De kantonrechter oordeelde dat het concurrentiebeding geldig was en dat de werknemer bewust het beding had overtreden door bij TasTrans in dienst te treden, een concurrent in hetzelfde bedrijfssegment binnen de geografische reikwijdte. De contractuele boete werd gematigd tot € 2.500,-. Gezien de functie van de werknemer als chauffeur en het beperkte belang van Charter Logistics bij bescherming van concurrentiegevoelige informatie, werd het concurrentiebeding geschorst en beperkt tot een looptijd van vier maanden en een reikwijdte die werkzaamheden bij klanten van Charter Logistics verbiedt. TasTrans werd eveneens verboden de werknemer werkzaamheden te laten verrichten voor klanten die ook klant zijn van Charter Logistics.
De kantonrechter wees de overige vorderingen af, veroordeelde Charter Logistics tot afgifte van een correcte eindafrekening en bepaalde dat partijen elk hun eigen proceskosten dragen.
Uitkomst: Het concurrentiebeding is geschorst en beperkt tot vier maanden, werknemer is veroordeeld tot een boete van € 2.500 en TasTrans is verboden de werknemer werkzaamheden te laten verrichten voor klanten van Charter Logistics.