ECLI:NL:RBDHA:2020:12513
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ingangsdatum verblijfsvergunning asiel na opvolgende aanvraag
Eiser, een Eritrese asielzoeker, diende op 14 maart 2018 een asielaanvraag in die aanvankelijk werd afgewezen. Na diverse rechtsprocedures werd op 23 juni 2020 een nieuwe asielaanvraag ingewilligd met ingang van 4 maart 2020. Eiser betwistte deze ingangsdatum en stelde dat de vergunning op 3 maart 2020 had moeten ingaan, de dag waarop hij zich met zijn voogd bij het Aanmeldcentrum Ter Apel meldde en het kennisgevingsformulier M35-O overhandigde.
De rechtbank overwoog dat eiser belang had bij het vaststellen van de juiste ingangsdatum vanwege de gevolgen voor nareis en verdere verblijfsrechten. Op grond van artikel 44, tweede lid, van de Vreemdelingenwet wordt een asielvergunning geacht te zijn ingewilligd vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag. De rechtbank stelde vast dat het formulier op 3 maart 2020 door verweerder was ontvangen, hetgeen niet werd betwist.
De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit ondeugdelijk was gemotiveerd en vernietigde het besluit voor zover het de ingangsdatum op 4 maart 2020 stelde. De rechtbank bepaalde zelf dat de ingangsdatum 3 maart 2020 is. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser.
Uitkomst: De ingangsdatum van de asielvergunning wordt vastgesteld op 3 maart 2020 en het besluit met ingangsdatum 4 maart 2020 wordt vernietigd.