ECLI:NL:RBDHA:2020:13240
Rechtbank Den Haag
- Verzet
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen onbevoegdverklaring inzake opschorting overdracht Dublinverordening ongegrond verklaard
Opposant heeft verzet ingesteld tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank Den Haag waarin de rechtbank zich onbevoegd verklaarde kennis te nemen van het beroep tegen de opschorting van zijn overdracht aan Italië op grond van de Dublinverordening. De opschorting was medegedeeld in een brief van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 1 augustus 2019, waarin werd aangegeven dat de overdracht met achttien maanden was opgeschort omdat opposant ondergedoken was.
De rechtbank oordeelde dat deze brief geen appellabel besluit vormt omdat het geen rechtsgevolg heeft en ook niet gelijkgesteld kan worden met een besluit in de zin van de Vreemdelingenwet 2000. Opposant stelde dat hij hierdoor niet in de nationale asielprocedure kon worden opgenomen, maar de rechtbank wees dit af omdat deze juridische situatie voortkomt uit het overdrachtsbesluit van 12 april 2019, dat onherroepelijk is verklaard.
Opposant voerde tevens aan dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden omdat andere Dublinclaimanten wel in de nationale procedure waren opgenomen, maar hij onderbouwde dit niet voldoende. Ook het recht op een effectief rechtsmiddel zoals neergelegd in de Dublinverordening en het Handvest van de grondrechten van de EU leidde niet tot een ander oordeel, aangezien de rechtmatigheid van het overdrachtsbesluit reeds door de rechter was beoordeeld.
De rechtbank verwierp verder de stelling dat uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat beroep openstaat tegen de mededeling van opschorting. Het verzet werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bleef in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzet tegen de onbevoegdverklaring inzake de opschorting van de overdracht op grond van de Dublinverordening wordt ongegrond verklaard.