ECLI:NL:RBDHA:2020:13784

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 december 2020
Publicatiedatum
7 januari 2021
Zaaknummer
NL20.19952 en NL20.19953
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 30a Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag wegens Dublinregeling Griekenland

Eiser, een Syrische nationaliteit dragende persoon met een verblijfsvergunning in Griekenland sinds 2017, heeft een asielaanvraag ingediend in Nederland. Verweerder heeft deze aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a van de Vreemdelingenwet 2000, omdat eiser volgens de Dublinregeling naar Griekenland moet terugkeren.

Eiser stelde dat hij in Griekenland niet adequaat wordt behandeld en geen aanspraak kan maken op huisvesting, medische zorg en bescherming, en dat hij zelfs door de politie werd gedetineerd. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer een situatie zal treffen die in strijd is met artikel 3 EVRM Pro.

De rechtbank baseerde zich daarbij op jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die stelt dat de situatie van statushouders in Griekenland weliswaar moeilijk is, maar niet zodanig dat sprake is van extreme ontberingen of rechteloosheid zonder hulp van Griekse autoriteiten.

Verder concludeerde de rechtbank dat eiser onvoldoende inspanningen heeft verricht om zijn rechten in Griekenland te effectueren, zoals het indienen van klachten bij hogere autoriteiten. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL20.19952 en NL20.19953
[V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , eiser/verzoeker, hierna eiser

(gemachtigde: mr. A.A. Hardoar),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.C. Ossenbruggen-Theodoulou).

ProcesverloopMet het besluit van 17 november 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd te bepalen dat hij niet wordt uitgezet totdat op zijn beroep is beslist.
Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk Arabisch, A. Alrami via een telefonische verbinding. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1996. Uit informatie uit Eurodac is gebleken dat eiser sinds 20 december 2017 een verblijfsvergunning in Griekenland heeft.
2. Gelet hierop vindt verweerder het redelijk dat eiser naar Griekenland terugkeert. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser daarom niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder heeft zich kort gezegd op het standpunt geteld dat hij uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, wat betekent dat Griekenland, als lidstaat van de Europese Unie, in beginsel niet handelt in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM [1] . Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat verweerder hier niet langer van uit mag gaan.
3. Eiser is het hier niet mee eens. Eiser voert aan dat hij in Griekenland niet als onderdaan wordt behandeld. Hij kan geen aanspraak maken op huisvesting, medische zorg en arbeid. Ook ontvangt hij geen bescherming van de Griekse autoriteiten. Eiser is bij een bezoek aan de Acropolis door de politie aangehouden en gedetineerd geweest. Voor het doen van een aangifte moest hij € 85,- betalen en dat geld heeft eiser niet.
Beoordeling rechtbank
4. De vraag is of eiser bij terugkeer naar Griekenland te vrezen heeft voor een situatie die in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM. De rechtbank is van oordeel dat eiser deze vrees niet aannemelijk heeft gemaakt en overweegt daartoe het volgende.
5. Uit de uitspraken [2] van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat de situatie van statushouders in Griekenland in beginsel niet zo slecht is dat zij bij terugkeer naar Griekenland te vrezen hebben voor een reëel risico op een met artikel 3 van Pro het EVRM strijdige behandeling. De Afdeling is van oordeel dat de situatie van statushouders in Griekenland weliswaar moeilijk is maar dat deze niet zodanig is dat sprake is van extreme armoede of ontberingen van eerste levensbehoeften en rechteloosheid waartegenover de Griekse autoriteiten onverschillig zouden staan.
6. Verweerder stelt terecht dat van eiser verwacht mag worden dat hij in Griekenland de rechten die voortvloeien uit zijn status zelf effectueert. Uit het persoonlijk relaas van eiser is niet gebleken dat hij hiertoe (voldoende) inspanningen heeft verricht. Het ligt op de weg van eiser om zijn beklag te doen bij de hogere Griekse autoriteiten of geëigende instanties als hij ontevreden is over de handelwijze van de politie in Griekenland. Gesteld noch gebleken is dat eiser dat heeft gedaan, zodat niet de conclusie kan worden getrokken dat de Griekse autoriteiten eiser niet willen of kunnen helpen. Gelet daarop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Griekenland terecht zal komen in een situatie in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM en dus niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan.
Conclusie
7.1
De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond. Omdat op het beroep is beslist wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
7.2
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep met zaaknummer NL20.19952 ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening met zaaknummer NL20.19953 af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Niekel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan, voor zover op het beroep is beslist, hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Tegen de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
2.Zie onder meer de uitspraken van 30 mei 2018 met ECLI:NL:RVS:2018:1795, van 15 juli 2019 met ECLI:NL:RVS:2019:2385 en van 1 juli 2020 met ECLI:NL:RVS:2020:1510.