ECLI:NL:RVS:2019:2385
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H. Troostwijk
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluiten niet-ontvankelijkheid asielaanvragen kwetsbare statushouders Griekenland
De staatssecretaris verklaarde op 6 februari 2019 de asielaanvragen van een alleenstaande moeder en haar dochter niet-ontvankelijk omdat zij reeds een verblijfsvergunning in Griekenland hadden. De rechtbank Den Haag oordeelde op 14 maart 2019 dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel terecht werd toegepast, mede omdat statushouders in Griekenland dezelfde rechten zouden hebben als Griekse burgers en toegang tot zorg.
De vreemdelingen stelden in hoger beroep dat het vertrouwensbeginsel een weerlegbaar vermoeden is en dat de bijzondere kwetsbaarheid van de dochter, die ernstige psychische problemen heeft, een uitzondering vormt. De Raad van State verwijst naar het arrest Ibrahim van het Hof van Justitie, waarin wordt bepaald dat bij ernstige materiële deprivatie en risico op onmenselijke behandeling het vertrouwensbeginsel niet zonder meer geldt.
De Raad concludeert dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de vreemdelingen, gezien hun kwetsbaarheid, bij terugkeer niet in een situatie van ernstige materiële deprivatie en schending van mensenrechten terechtkomen. Daarom vernietigt de Raad de eerdere uitspraak en de besluiten, verklaart het hoger beroep gegrond en beveelt een nieuwe beoordeling met inachtneming van de bijzondere omstandigheden.
De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De zaak benadrukt het belang van een zorgvuldige individuele beoordeling van kwetsbare statushouders bij toepassing van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Uitkomst: De besluiten van de staatssecretaris worden vernietigd en de beroepen van de vreemdelingen gegrond verklaard vanwege onvoldoende motivering over hun kwetsbaarheid en risico op onmenselijke behandeling bij terugkeer.