ECLI:NL:RBDHA:2020:14377

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 augustus 2020
Publicatiedatum
5 maart 2021
Zaaknummer
NL20.8388
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens verstreken overdrachtstermijn in Dublinprocedure

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen, omdat Kroatië verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling. Tijdens de procedure trok de verweerder het bestreden besluit in en nam de asielaanvraag alsnog inhoudelijk in behandeling nadat de overdrachtstermijn was verstreken.

De rechtbank oordeelt dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat eiser geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Het doel van het beroep is immers bereikt doordat de asielaanvraag alsnog wordt behandeld. De rechtbank beoordeelt ook of proceskostenveroordeling gerechtvaardigd is, maar concludeert dat geen sprake is van tegemoetkomen door verweerder, aangezien de wijziging van het besluit het gevolg is van veranderde omstandigheden.

De rechtbank wijst het beroep af zonder inhoudelijke behandeling en veroordeelt verweerder niet tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter Sprakel en griffier Westerhof, zonder openbare zitting vanwege coronamaatregelen.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de asielaanvraag alsnog in behandeling is genomen na het verstrijken van de overdrachtstermijn.

Uitspraak

uitspraak buiten zitting

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.8388
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. H. Drenth), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. Ch. R. Vink).

Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat hij Kroatië verantwoordelijk heeft geacht voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Op 24 juni 2020 heeft verweerder te kennen gegeven dat hij het bestreden besluit heeft ingetrokken en de asielaanvraag inhoudelijk in behandeling zal nemen.
Naar aanleiding hiervan heeft eiser het beroep gehandhaafd en verzocht verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.

Overwegingen

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak.
Het beroep van eiser is niet-ontvankelijk. Hij heeft namelijk onvoldoende belang bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep, omdat hij heeft bereikt wat hij met het beroep beoogt doordat verweerder de asielaanvraag alsnog inhoudelijk in behandeling heeft genomen. De vraag of verweerder moet worden veroordeeld tot vergoeding van de in beroep
zaaknummer: NL20.8388 2
gemaakte proceskosten, geeft onvoldoende aanleiding om tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak over te gaan1.
4. Wel moet worden beoordeeld of verweerder toch tot vergoeding van de proceskosten moet worden veroordeeld. Daarvoor kan aanleiding bestaan als hij aan de eisende partij tegemoetgekomen is. In dat geval kan verweerder met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb worden veroordeeld in de proceskosten. Van tegemoetkomen is geen sprake als een in beroep bestreden besluit is gewijzigd wegens veranderde omstandigheden2.
5. In dit geval heeft verweerder de asielaanvraag van eiser alsnog inhoudelijk in behandeling genomen, omdat de uiterlijke termijn voor de overdracht aan Kroatië is verstreken. Dat is een veranderde omstandigheid die zich ten tijde van het bestreden besluit niet voordeed. Verweerder is met het alsnog inhoudelijk in behandeling nemen van de asielaanvraag dan ook niet tegemoetgekomen aan eiser. Daarom bestaat geen aanleiding om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
6. Het beroep is niet-ontvankelijk.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 26 augustus 2020 door mr. M.E.J. Sprakel, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
1. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 26 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1423.
2 Vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 18 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1816.
zaaknummer: NL20.8388 3
De uitspraak is bekendgemaakt op:
26 augustus 2020

Documentcode: [documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.