ECLI:NL:RVS:2018:1423
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Lubberdink
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijk verklaring hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel met proceskostenvergoeding
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris op 10 juli 2016 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris op 16 november 2017 alsnog de vergunning verleende.
Ondanks de verlening handhaafde de vreemdeling zijn hoger beroep gericht op een uitspraak over de proceskosten die in beroep en hoger beroep waren gemaakt. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat de vreemdeling onvoldoende belang had bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep, omdat het bestuursorgaan hem volledig tegemoet was gekomen met de vergunning.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk. Wel werd overwogen dat de kosten van het door de vreemdeling ingeschakelde instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (iMMO) redelijk waren en voor vergoeding in aanmerking kwamen. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van in totaal € 1.851,00, inclusief kosten van deskundigen en rechtsbijstand.
De uitspraak werd gedaan door voorzitter N. Verheij en leden H.G. Lubberdink en E. Steendijk, in aanwezigheid van griffier H.W. Groeneweg, op 26 april 2018.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 1.851,00.