ECLI:NL:RBDHA:2020:15193
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond: aanvraag verblijfsvergunning asiel niet-ontvankelijk wegens subsidiaire bescherming in Hongarije
Eiser, met Jemenitische nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet-ontvankelijk te verklaren. Dit besluit was gebaseerd op de constatering dat eiser in Hongarije subsidiaire bescherming geniet en daar te allen tijde naar terug kan keren.
De rechtbank overweegt dat ondanks de moeilijkheden die statushouders in Hongarije ervaren, eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bijzonder kwetsbaar is of dat hij geen hulp kan verkrijgen van de Hongaarse autoriteiten. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt in beginsel, en de situatie in Hongarije rechtvaardigt niet dat eiser wordt vrijgesteld van terugkeer.
Eiser voerde aan dat hij geen geldige verblijfstitel in Hongarije heeft en dat hij tijdens zijn verblijf daar gedetineerd is geweest, maar de rechtbank acht deze omstandigheden onvoldoende onderbouwd om hem als bijzonder kwetsbaar aan te merken. Ook de tijdelijke reisbeperkingen door de coronapandemie veranderen hier niets aan.
De rechtbank concludeert dat de aanvraag terecht niet-ontvankelijk is verklaard en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag verblijfsvergunning asiel wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege subsidiaire bescherming in Hongarije.