Overwegingen
1. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst dit verzoek toe. Eiseres is geen griffierecht verschuldigd.
2. Eiseres is geboren op [1990] en is van Eritrese nationaliteit. Aan referent is een verblijfsvergunning asiel verleend. Referent heeft ten behoeve van eiseres een aanvraag voor een mvv gedaan met als doel gezinshereniging in het kader van nareis asiel.
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiseres haar identiteit niet aannemelijk heeft gemaakt middels officiële identificerende documenten. Eiseres heeft volgens verweerder niet aangetoond dat zij in bewijsnood verkeert. Eiseres heeft indicatieve documenten overgelegd, namelijk een schoolpas, een UNHCR-document en een doopakte. Verweerder heeft deze documenten zowel afzonderlijk als tezamen niet aangemerkt als substantieel indicatieve stukken. Op de schoolpas staat geen recente pasfoto en geen geboorteplaats. Voor de schoolpas en de UNHCR-document geldt volgens verweerder verder dat niet is gebleken welke gegevens daaraan ten grondslag zijn gelegd. De overgelegde doopakte is door Bureau Documenten vals bevonden. Tot op heden is niet uitgelegd waarom het document vals is en is geen contra-expertise ingebracht met een andersluidend advies. Omdat eiseres niet in bewijsnood verkeert en geen substantieel indicatief bewijs heeft overgelegd die haar identiteit aantoont, is de aanvraag volgens verweerder terecht afgewezen zonder dat nader onderzoek is verricht naar haar identiteit. Ter staving van de familierechtelijke relatie met referent, zijn geen officiële familierechtelijke documenten overgelegd zoals een wettelijke huwelijksakte en heeft eiseres evenmin aangetoond dat zij in bewijsnood verkeert. De in verband met het aantonen van de familierechtelijke relatie overgelegde doopakte en kerkelijke huwelijksakte zijn beiden vals bevonden door Bureau Documenten. Voor het overleggen hiervan heeft eiseres geen verklaring gegeven. Eiseres heeft de familierechtelijke relatie niet aannemelijk gemaakt. Het overleggen van valse en/of vervalste documenten wordt door verweerder voorts beschouwd als een contra-indicatie en vormt voor haar daarom geen reden tot het doen van nader onderzoek.
4. Om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel nareis moet een vreemdeling zijn identiteit en de gestelde familierelatie met referent aannemelijk maken. Verweerder hanteert bij zijn beoordeling of de vreemdeling daarin is geslaagd een vaste gedragslijn, die onder meer is uiteengezet in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 16 mei 2018en daarna verder is toegelicht door verweerder. Volgens deze gedragslijn betrekt verweerder alle verklaringen en bewijselementen, officieel en onofficieel, in onderlinge samenhang bij zijn beoordeling en houdt hij rekening met de persoon van de betrokkenen door hen in de gelegenheid te stellen een op de persoon toegespitste verklaring te geven voor het ontbreken van officiële documenten. Verder kan verweerder gesprekken houden en ander onderzoek doen als hij dat nodig vindt, maar een contra-indicatie - zoals een vervalst document - kan een reden vormen om dit niet te doen.
5. Eiseres heeft aangevoerd dat het bestreden besluit ten aanzien van de vals bevonden doop- en huwelijksakte in strijd is met het beginsel van equality of arms, zoals bedoeld in het arrest Korosec tegen Slovenië. Eiseres kan geen contra-expertise laten uitvoeren omdat er geen door verweerder erkende contra-experts zijn die technisch en tactisch onderzoek uitvoeren op Eritrese documenten. Als deze er wel zouden zijn, zou het voor eiseres onmogelijk zijn om een dergelijke contra-expertise zelf te financieren. Daarom had verweerder in dit geval compensatie moeten aanbieden in de vorm van een identificerend gehoor. Dat is ten onrechte niet gebeurd.
6. De stelling dat eiseres geen contra-expertise kan laten verrichten naar de documenten die Bureau Documenten vals heeft bevonden, betekent niet dat zij hiervoor moet worden gecompenseerd vanwege het beginsel van 'equality of arms'. De rechtbank volstaat met de verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 19 augustus 2020, waarin de ABRvS de vragen over wanneer, hoe en door wie een vreemdeling wegens strijd met dit beginsel moet worden gecompenseerd, heeft beantwoord. Omdat eiseres in dit geval de mogelijkheid heeft gehad om ander relevant bewijs te leveren en er geen aanwijzingen zijn dat het rapport niet klopt, slaagt de beroepsgrond niet.
7. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat er wel degelijk substantieel indicatief bewijs is overgelegd met betrekking tot haar identiteit. Zij heeft buiten de UNHCR-registratie in elk geval een schoolpas overgelegd, met pasfoto. Dit identificeert eiseres en zou in elk geval voldoende moeten zijn voor het doen van nader onderzoek.
8. De omstandigheid dat de doopakte en de kerkelijke akte vals zijn bevonden en er dus sprake is van een contra-indicatie, betekent niet dat er geen andere verklaringen of bewijsmiddelen meer bij de beoordeling kunnen worden betrokken.De rechtbank is evenwel van oordeel dat de vraag of de schoolpas in combinatie met het UNHCR-document in het kader van het staven van haar identiteit voldoende is, in dit geval in het midden kan worden gelaten, nu er slechts vervalste documenten zijn overgelegd om de familierechtelijke relatie te onderbouwen. Omdat in de nareisprocedure de identiteit van de nareiziger én de familierechtelijke relatie met referent vast dienen te staan, is de uitkomst van deze beoordeling niet relevant voor vraag of verweerder nader onderzoek moet aanbieden. Zie in dit verband ook de werkinstructie van verweerder.
9. Het betoog van eiseres dat niet valt in te zien waarom verweerder geen identificerend interview heeft aangeboden wanneer het gaat om de vaststelling van de identiteit, nationaliteit en familierechtelijke relatie slaagt niet. De rechtbank overweegt dat uit de vorenstaande overwegingen volgt dat verweerder niet ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om geen nader onderzoek te doen. Immers is geen bewijsnood aangenomen en zijn er geen (onvervalste) documenten overgelegd die de familierechtelijke relatie onderbouwen, zodat de aanvraag terecht is afgewezen zonder nader onderzoek te doen.
10. Ter zitting heeft referent een identiteitsbewijs aan de rechtbank willen tonen met een daarbij behorende vertaling. Hiermee heeft referent willen aantonen dat hij pas op 25 jarige leeftijd een identiteitsbewijs heeft gekregen. Dit zou in tegenspraak zijn met wat daarover in het bestreden besluit genoemde ambtsbericht 2018 staat vermeld. Omdat referent pas eerst op zitting met deze stukken komt en verweerder tegen het overleggen hiervan bezwaar heeft gemaakt, heeft de rechtbank deze stukken geweigerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om de zaak aan te houden om referent in de gelegenheid te stellen deze stukken alsnog over te leggen omdat deze niet nodig zijn voor de beoordeling van het bestreden besluit. De stukken hebben betrekking op de vraag of sprake is van bewijsnood en dat geen sprake is van bewijsnood, is door eiseres in beroep niet betwist. Bovendien is voor het aannemen van bewijsnood een op de persoon van eiseres toegespitste verklaring nodig. Hiervan is geen sprake en op grond van het identiteitsdocument van referent kunnen ook geen conclusies worden getrokken ten aanzien van de algemene situatie in Eritrea.
11. Eiseres heeft aangevoerd dat zij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar. De rechtbank overweegt dat volgens vaste jurisprudentie van het horen in bezwaar mag worden afgezien, indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de gemaakte bezwaren niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden. Daarbij moet de inhoud van het bezwaarschrift worden beoordeeld, in samenhang met hetgeen in eerste instantie door eiseres is aangevoerd en met de motivering van het in bezwaar bestreden besluit. Gelet op wat eiseres in bezwaar heeft aangevoerd, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat hij wegens kennelijke ongegrondheid van het bezwaar van het horen mocht afzien.
12. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft kunnen besluiten dat eiseres niet in aanmerking komt voor de gevraagde mvv.
13. Ook wat verder is aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is. Het beroep is ongegrond.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.