ECLI:NL:RBDHA:2020:2241
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek wegens gebrek aan gegronde aanwijzingen voor vooringenomenheid
Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter in een familierechtelijke hoofdzaak over gezagsuitoefening ten aanzien van haar minderjarige dochter. Zij stelde dat de rechter vooringenomen was vanwege een onjuiste beslissing omtrent het onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming.
De wrakingskamer oordeelde dat wraking slechts mogelijk is bij concrete aanwijzingen voor rechterlijke partijdigheid of de objectief gerechtvaardigde schijn daarvan. Een onjuiste of gebrekkige motivering van een rechterlijke (tussen)beslissing vormt geen grond voor wraking, aangezien wraking geen verkapt rechtsmiddel is.
Verder stelde de kamer vast dat het wrakingsverzoek misbruikt werd om de voortgang van de procedure te frustreren, wat aanleiding gaf tot een wrakingsverbod voor toekomstige verzoeken in deze zaak.
De wrakingskamer wees het verzoek af, bepaalde dat de hoofdzaak wordt voortgezet zoals voor het wrakingsverzoek, en dat geen nieuw wrakingsverzoek in behandeling wordt genomen. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt afgewezen en een volgend wrakingsverzoek wordt niet in behandeling genomen wegens misbruik.