ECLI:NL:RBDHA:2020:2286
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek vrijstelling leges verblijfsvergunning wegens ontbreken ononderbroken verblijf in Nederland
Eiser verzocht om vrijstelling van leges voor een verblijfsvergunning op grond van schrijnende omstandigheden. Verweerder wees dit af omdat eiser niet aannemelijk had gemaakt ononderbroken in Nederland te hebben verbleven, mede vanwege verklaringen en een aanvraag in België.
Eiser stelde dat hij wel in Nederland verbleef en betwistte zijn verblijf in België, ondersteund door steunbetuigingen. De rechtbank oordeelde dat het praktijkdocument vereist dat schrijnende omstandigheden een onderscheidend samenstel vormen, en dat langdurig verblijf alleen onvoldoende is.
De rechtbank concludeerde dat eiser onvoldoende bewijs leverde voor ononderbroken verblijf in Nederland en dat verweerder terecht de discretionaire bevoegdheid niet toepaste. Ook werd geoordeeld dat verweerder voldoende rekening hield met artikel 8 EVRM Pro.
Het verzoek om vrijstelling van griffierecht werd toegewezen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de vrijstelling van leges voor de verblijfsvergunning is ongegrond verklaard.