ECLI:NL:RBDHA:2020:2332
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen feitelijke overdracht aan Italië
Verzoeker, afkomstig uit Nigeria, maakte bezwaar tegen zijn voorgenomen feitelijke overdracht aan de Italiaanse autoriteiten op grond van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening die de overdracht opschort totdat op het bezwaar is beslist. Verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, was voornemens verzoeker op 12 februari 2020 uit te zetten.
De voorzieningenrechter overwoog dat de overdrachtstermijn van zes maanden zoals bedoeld in de Dublinverordening pas begint te lopen zodra de uitvoering van de overdracht in principe is overeengekomen en zeker is. Een eerder toegewezen voorlopige voorziening hangende bezwaar tegen de feitelijke overdracht schort deze termijn op. Verzoeker stelde dat de termijn was verstreken, maar de voorzieningenrechter oordeelde dat de termijn door de voorlopige voorziening van 25 mei 2019 was opgeschort en pas weer zou gaan lopen nadat verzoeker aan die uitspraak had voldaan door het doen van aangifte van mensenhandel.
Daarnaast stelde verzoeker dat verweerder de Italiaanse autoriteiten niet tijdig had geïnformeerd over de verlenging van de overdrachtstermijn, maar de voorzieningenrechter stelde vast dat verweerder dit tijdig had gedaan. Gelet op deze overwegingen had het bezwaar tegen de feitelijke overdracht geen redelijke kans van slagen en werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de feitelijke overdracht aan Italië is afgewezen omdat de overdrachtstermijn nog niet was verstreken.