ECLI:NL:RVS:2016:3506
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- A.B.M. Hent
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling opschorting overdrachtstermijn vreemdeling op grond van voorlopige voorziening
De zaak betreft een hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, waarin het beroep van een vreemdeling tegen de feitelijke overdracht ongegrond was verklaard. De vreemdeling had bezwaar gemaakt tegen haar overdracht op grond van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
De rechtbank oordeelde dat de overdrachtstermijn was verstreken, omdat in een eerdere uitspraak van 22 mei 2015 niet expliciet was vermeld dat de voorlopige voorziening de opschorting van de termijn volgens artikel 29 van Pro de Dublinverordening met zich meebracht. De staatssecretaris stelde dat deze voorlopige voorziening wel degelijk opschortende werking heeft, conform artikel 27, derde lid, van de Dublinverordening.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat het treffen van een voorlopige voorziening door de voorzieningenrechter de overdrachtstermijn opschort totdat op het hoger beroep is beslist. Dit betekent dat de termijn van zes maanden pas begon te lopen na de uitspraak van 12 november 2015, waardoor de termijn ten tijde van de uitspraak van de rechtbank niet was verstreken.
Daarom werd het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling alsnog ongegrond verklaard. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen het besluit tot feitelijke overdracht wordt ongegrond verklaard.