ECLI:NL:RBDHA:2020:2521
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling Bpm-heffing op geïmporteerde auto’s en toepassing vermindering voor gebruikte voertuigen
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen een naheffingsaanslag Bpm op 48 geïmporteerde auto’s, waarbij zij stelde dat de auto’s als gebruikt moeten worden aangemerkt en daarom recht heeft op een vermindering op grond van artikel 10 van Pro de Wet Bpm. De auto’s hadden een eerste toelatingsdatum in het buitenland eind 2016 en begin 2017, maar werden pas medio 2017 tot eind 2018 in Nederland geregistreerd.
De rechtbank stelt vast dat voor de vermindering op grond van artikel 10 Wet Pro Bpm beslissend is of de auto’s op het moment van registratie in Nederland als nieuw of gebruikt moeten worden beschouwd. De rechtbank volgt de jurisprudentie van de Hoge Raad en het Hof van Justitie EU, die objectieve voertuigkenmerken zoals kilometerstand en staat van onderhoud als maatstaf nemen. De door eiseres aangevoerde omstandigheden zoals eerdere registratie in het buitenland, het tijdsverloop en het ingaan van de fabrieksgarantie zijn geen objectieve kenmerken en rechtvaardigen geen andere kwalificatie dan nieuw.
Eiseres heeft ook verzocht om prejudiciële vragen aan het HvJ over het toetsingskader, maar de rechtbank ziet geen reden dit te doen omdat het Nederlandse toetsingskader in overeenstemming is met het EU-recht. Verder is geoordeeld dat het tarief van 2017 terecht is toegepast, aangezien de auto’s vanaf medio 2017 zijn geregistreerd. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag en belastingrente zijn terecht opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag Bpm is terecht opgelegd met toepassing van het tarief van 2017.