Conclusie
De feiten, het geschil, de oordelen van de feitenrechters en de merites van het cassatieberoep
i.e.(nagenoeg) ongebruikt; zie HR
BNB2017/68 in 3.19 hieronder) en in cassatie is niet meer in geschil dat zij nieuw waren.
BNB2017/68 [2] (zie 4.5 hieronder).
BNB2020/100 en HR HR
BNB2021/6 (zie 4.1 en 4.6 hieronder) impliceert volgens hem dat belanghebbendes standpunt onjuist is.
nafebruari 2017 in Nederland wordt geregistreerd (tarief 2017). De consument zal haars inziens altijd kiezen voor de al in Nederland aanwezige nieuwe auto omdat die goedkoper is (tarief 2016) dan dezelfde ingevoerde nieuwe auto (tarief 2017). De belanghebbende ziet daarin fiscaal protectionisme ten gunste van de binnenlandse nieuwe-autohandel, zo begrijp ik haar.
BNB2020/100 en HR HR
BNB2021/6 (zie 4.1 en 4.6 hieronder) impliceren dat belanghebbendes standpunt onjuist is en (ii) de EU-rechtelijk vereiste nationale bpm-behandeling van geïmporteerde
gebruikteauto’s (voor de bpm-bepaling waarvan de rest-bpm in vergelijkbare binnenlandse gebruikte auto’s bepaald moet worden) niet relevant is voor de EU-rechtelijk vereiste nationale bpm-behandeling c.q. registratie-erkenning van geïmporteerde
nieuweauto’s, waaraan immers (tot 2022; zie 4.6 hieronder) ook binnenslands geen bpm kleeft zolang zij niet bij de RDW op naam zijn gesteld.
2.Van ambtswege
carddie, anders dan het voorafgaande kentekenbewijs deel 1A, geen bpm-bedrag meer vermeldt) mogelijk op regelniveau
binnenlandsevergelijkbare gevallen zonder voldoende rechtvaardiging ongelijk behandelt en zo ja, in hoeverre die ongelijke behandeling dan doorwerkt naar grensoverschrijdende gevallen.
cardis ingevoerd, die dus geen bpm-bedrag vermeldt. De RDW kan eenvoudig het nieuwe voor dergelijke ‘overgangsauto’s’ aan hem doorgegeven bpm-bedrag ten tijde van latere tenaamstelling administreren, zodat de vraag rijst of nog wel een rechtvaardiging bestaat voor art. 16a(1) Wet bpm, dat onderscheid maakt tussen (i) ongebruikte auto’s die eind 2016 (of eerder) worden ingeschreven bij de RDW en in januari/februari 2017 op naam worden gesteld (tarief 2016 of ouder) en (ii) technisch identieke ongebruikte auto’s die in januari/februari 2017 worden ingeschreven bij de RDW en eveneens in januari/februari 2017 op naam worden gesteld (tarief 2017). Zelfs het bouwjaar hoeft niet noodzakelijkerwijs te verschillen: ook een op 2 januari 2017 gekentekende auto (tarief 2017) kan in 2016 geproduceerd zijn en identiek zijn aan een in december 2016 gekentekende auto (tarief 2016). Het is zelfs mogelijk dat zij op dezelfde dag de fabriek uit zijn gereden.
plustenaamstelling, maar alleen nog kentekening) temeer relevant zijn nu de tariefovergangsregeling in art. 16a(1) Wet bpm per die datum niet is vervallen, maar in verband met de wijziging van het belastbare feit is gehandhaafd met een andere tekst, die als volgt luidt:
gebruikteauto’s te beëindigen die was ontstaan door de rechtspraak van het HvJ EU volgens welke op een ingevoerde gebruikte auto niet meer bpm mag drukken dan op de laagst belaste vergelijkbare binnenlandse gebruikte auto. Als een importeur die in 2018 gebruikte 2016-auto’s invoerde er in slaagde om één vergelijkbare binnenslands rondrijdende auto te vinden die naar het 2015-tarief was belast, hoewel pas in januari 2016 op naam gesteld en gebruikt, dan kon hij voor technisch gelijke ingevoerde 2016-auto’s dat lagere 2015-tarief opeisen bij de berekening van de bij invoer te betalen rest-bpm, die op ‘normale’ vergelijkbare binnenlandse gebruikte auto’s juist zwaarder drukte dan dat 2015-tarief, nl. het 2016-tarief. Dit benadeelde de binnenlandse gebruikte-autohandel ten opzichte van de importhandel. Zie nader 3.13 en 3.14 hieronder.
margin of appreciationoverschreden zou hebben, moet dan de rechter rechtsherstel bedenken en bieden, of moet zij bij gebrek aan aanwijzingen in het wettelijke systeem volstaan met vernietiging van de naheffing?
3.De wet en diens totstandkomingsgeschiedenis
cardingevoerd waarop – anders dan op het voorheen bij kentekening van nieuwe auto’s uitgegeven kentekenbewijs deel 1A – niet meer de (vermoedelijk) verschuldigde bpm wordt vermeld, en op 1 januari 2022 is het belastbare feit voor de bpm gewijzigd in inschrijving (kentekening) in plaats van inschrijving
plustenaamstelling,
inschrijving: inschrijving van een motorrijtuig in het kentekenregister als bedoeld in artikel 47 van Pro de Wegenverkeerswet 1994;”
cardingevoerd bij de Wet van 19 juni 2013 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de modernisering van de wijze van tenaamstelling van kentekenbewijzen en enkele andere wijzigingen van uiteenlopende aard. [13] Die
cardvermeldt geen bpm-bedrag meer. Desondanks is art. 16a(1) Wet bpm toen gehandhaafd. De parlementaire geschiedenis van die wetswijziging leert over de redenen voor (i) de invoering van die
card: [14]
card(2014). Gezien de in 3.5 hierboven geciteerde MvT bij de invoering van art. 16a, was er na die afschaffing c.q. invoering geen bestaansgrond meer voor art. 16a Wet bpm. Aangezien het belastbare feit tot 2022 pas voltooid was op het moment van tenaamstelling van het kenteken, was er na de afschaffing van de bpm-vermelding op het kentekenbewijs geen reden meer om art. 16a te handhaven. Integendeel, gegeven dat het de fiscale neutraliteit verstoorde tussen december-2016-gekentekende nieuwe auto’s die in januari/februari 2017 op naam werden gesteld (tarief 2016) en identieke januari-2017-gekentekende nieuwe auto’s die eveneens in januari/februari 2017 op naam werden gesteld (tarief 2017).
nieuweauto’s beperkt tot een periode van 2 maanden. Voor
gebruikteauto’s is dat
nogniet het geval: importeurs van gebruikte auto’s kunnen er immers nog steeds in slagen een nog rondrijdende vergelijkbare binnenlandse auto te vinden met een lagere bpm-restwaarde dan normaal omdat die auto destijds pas (ruim) na zijn kentekening op naam werd gesteld en daardoor nog profiteerde van een lager tarief dan gold op het moment waarop de vergelijkbare buitenlandse auto in het buitenland op naam werd gesteld. Ik begrijp dat de bedoeling is dat met de nieuwe overgangsregeling die mogelijkheid geleidelijk uitsterft.
4.Rechtspraak
BNB2020/100 [23] overwoog u als volgt over de bpm-heffing ter zake van een in 2014 uit een andere EU-lidstaat ingevoerde
gebruikteauto:
BNB2020/100) leest in (r.o. 3.2 van) het arrest met instemming dat (het tot 2022 geldende) art. 16a(1) Wet bpm geen onderscheid maakte tussen
nieuweauto’s uit andere lidstaten en
nieuweauto’s uit Nederland: [25]
V-N2020/22.10 zag in HR
BNB2020/100 aanleiding om art. 16a Wet bpm te schrappen, nu diens overgangsregeling een probleem oplost dat niet meer bestaat sinds de invoering van de kenteken
card:
Kamerstukken II1997/98, 25689, nr. 3, p. 31) bij de invoering van art. 16a Wet BPM 1992 blijkt dat een overgangsregeling destijds noodzakelijk werd geacht, omdat het BPM-bedrag werd vermeld op het (oude) papieren voertuigbewijs (deel 1A van het kentekenbewijs) dat direct bij inschrijving aan de aanvrager werd verstrekt. Een onmiddellijk in werking tredende tariefswijziging voorafgaand aan de afgifte van het tenaamstellingsbewijs (deel 1B van het kentekenbewijs) zou dan betekenen dat alle eerder verstrekte voertuigbewijzen deel 1A zouden moeten worden ingenomen en opnieuw verstrekt, maar dan nu met het gewijzigde BPM-bedrag. Op de thans verstrekte kentekencard wordt echter het BPM-bedrag niet meer vermeld en de vermelding van het BPM-bedrag in het kentekenregister kan eenvoudig door de RDW worden gewijzigd. De noodzaak tot een overgangsregeling is daarmee komen te vervallen, zodat thans een onmiddellijke werking van een tariefsverhoging de voorkeur verdient.”
BNB2020/100 genoemde arrest HR
BNB2017/68 [26] ging het om in 2014 geïmporteerde
nieuwepersonenauto’s die eind 2013 in het buitenland voor het eerst waren toegelaten tot de openbare weg. De belanghebbende wilde voor die auto’s het tarief 2013 in plaats van het hogere tarief 2014. U overwoog dat de bpm op de registratie van een ingevoerde nieuwe of gebruikte auto in Nederland wordt bepaald ten tijde van die registratie aan de hand van het op dat moment geldende tarief. Of de bpm op een ingevoerde
nieuweauto een discriminerende productbelasting inhoudt, hangt ervan af of binnenslands gekochte vergelijkbare nieuwe auto’s bij registratie in dezelfde periode niet of lager belast worden. Op het cassatieberoep van de belanghebbende overwoog u:
BNB2021/6 [28] gaf u de volgende uiteenzetting over het verschil tussen gebruikte en nieuwe auto’s in de zin van de Wet bpm en herhaalde u dat bij
nieuweauto’s de bpm-heffing geen rol kan spelen bij de mededinging tussen binnenlandse en ingevoerde auto’s omdat ook ter zake van binnenlandse nieuwe auto’s nog geen bpm is geheven zolang niet is geregistreerd (op naam gesteld) en omdat bij registratie in het Nederlandse kentekenregister van nieuwe ingevoerde auto’s geen hogere bpm wordt geheven dan die op dezelfde binnenlandse nieuwe auto’s:
5.De (binnenlandse) ongelijke behandeling
BNB2021/6 (zie 4.6 hierboven) omdat
binnenlandseen niet meer gerechtvaardigd onderscheid lijkt te bestaan tussen twee groepen technisch identieke nieuwe auto’s. Anders dan u veronderstelde in HR
BNB2017/86 (zie 4.5 hierboven) en HR
BNB2021/6 (zie 4.6 hierboven) was het tot 2022 niet zo dat voor alle nieuwe personenauto’s ‘de bpm, verschuldigd ter zake van de registratie (…) in Nederland, wordt bepaald ten tijde van die registratie aan de hand van het alsdan geldende tarief.’ Art. 16a Wet bpm (oud) zette immers tot 2022 het toepasselijke tarief een kalenderjaar terug ten opzichte van het moment van registratie (tenaamstelling) in gevallen waarin een ongebruikte auto op naam werd gesteld in januari of februari van jaar x, maar al in jaar x – 1 was gekentekend.
binnenlandsein 2016 ingeschreven nieuwe auto’s die vóór 1 maart 2017 op naam worden gesteld (discrepantie-auto’s; tarief 2016) en technisch identieke
binnenlandsein januari 2017 ingeschreven nieuwe auto’s die vóór 1 maart 2017 op naam worden gesteld (zelfde-jaar-auto’s; tarief 2017) niet gerechtvaardigd is, dan bestaat een vergelijkbaar ongerechtvaardigd onderscheid tussen
ingevoerde, in 2016 elders in de EU tot de openbare weg toegelaten nieuwe auto’s die vóór 1 maart 2017 in Nederland worden geregistreerd (op naam worden gesteld) (discrepantie-auto’s; tarief 2016) en technisch identieke
ingevoerde, in januari 2017 in een andere lidstaat tot de openbare weg toegelaten nieuwe auto’s die vóór 1 maart 2017 in Nederland te naam worden gesteld (zelfde-jaar-auto’s; tarief 2017).
card,die geen bpm-bedrag meer vermeldt. De administratieve bestaansgrond voor art. 16a(1) Wet bpm (zie 3.5 hierboven) verviel toen. Zoals in 3.7- 3.9 hierboven bleek: ik heb in de parlementaire geschiedenis van de Wet Overige fiscale maatregelen 2012, de Fiscale verzamelwet 2014 en de Wet van 19 juni 2013 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 tot modernisering van de tenaamstelling van kentekenbewijzen geen verklaring voor het desondanks handhaven van art. 16a Wet bpm kunnen vinden. De MvT bij de invoering van art. 16a Wet bpm (zie 3.5 hierboven) noopt er juist toe aan te nemen dat na de afschaffing van de bpm-vermelding op het kentekenbewijs geen bestaansgrond resteerde voor art.16a Wet bpm, dat vanaf dat moment hamsteren eerder aanmoedigde dan tegenging. Wellicht kan de Staatssecretaris bij Borgersbrief ophelderen of na het schrappen van het bpm-bedrag op het kentekenbewijs nog bestaansgrond was voor art. 16a Wet bpm en zo ja, welke.
BNB2021/6 hierboven).
wide margin of appreciationblijft dan immers een willekeurig onderscheid bestaan dat dan kennelijk van redelijke grond is ontbloot. [30]
De voorwaarden voor erkenning bedrijfsvoorraad en bevoegdheid tot preregistratie
voorafkeurt. [41]
websitevan de RDW op dat erkende en bevoegde bedrijven nieuwe auto’s al in het kentekenregister kunnen inschrijven die nog in het buitenland (bij de fabriek of onderweg) zijn, mits zij binnen vijf werkdagen toonbaar zijn op een voor controle toegankelijke stallinglocatie in Nederland. Hierdoor kunnen erkende bedrijven met bevoegdheid tot versnelde inschrijving zonder onderzoek vijf werkdagen eerder inschrijven dan personen of bedrijven zonder die bevoegdheid. Paragraaf 2.4.1 (p. 16) van de RDW-Informatiemap voor de voertuigbranche vermeldt:
bedrijfsvoorraad. Dat particulieren worden uitgesloten, is dus doelrationeel, zodat het alleen nog gaat om vergelijking tussen bedrijven.
7.De regeling vanaf 1 januari 2022
i.e.beëindiging van de fiscale begunstiging van ingevoerde tweedehands auto’s, die als gevolg van de rechtspraak van het HvJ EU konden (en voorlopig nog steeds kunnen) profiteren van het (nog) rondrijden van één of enkele binnenlandse gebruikte auto’s die destijds exceptioneel tegen een historisch tarief zijn verkocht.
terugplaatste in de tijd naar een periode met een lager tarief, doet de nieuwe tekst, gegeven het nieuwe belastbare feit (inschrijving), het omgekeerde: het nieuwe art. 16a(1) Wet bpm verplaatst het belastbare feit naar het
lateremoment van tenaamstelling waarop het nieuwe (hogere) tarief geldt indien de tenaamstelling meer dan twee maanden na de tariefwijziging op zich laat wachten. Dit beperkt de periode waarin auto’s nog met het vorige tarief verkocht kunnen worden tot twee maanden na de tariefswijziging.
level playing fieldvoor de gebruikte-autohandel – lijkt mij verder vanuit het oogpunt van vrijheid van goederenverkeer op de Europese interne markt een voortreffelijk en lofwaardig doel.
margin of appreciationvan de wetgever geacht worden te liggen.