ECLI:NL:RBDHA:2020:3017
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring wrakingsverzoek tegen toezichthoudend kantonrechter in bewindvoerderszaken
Verzoekster, benoemd tot bewindvoerder, diende een wrakingsverzoek in tegen de kantonrechter die haar had voorgedragen voor ontslag als bewindvoerder. De voordracht tot ontslag was bij beschikking afgewezen. Verzoekster stelde dat de kantonrechter vooringenomen was vanwege eerdere uitlatingen en dat de geplande mondelinge behandeling een voortzetting van de eerdere procedure betrof.
De wrakingskamer oordeelde dat het wrakingsverzoek niet ontvankelijk is omdat de procedure niet valt onder artikel 112 Grondwet Pro en artikel 36 Rv Pro, die betrekking hebben op geschillen over burgerlijke rechten en schuldvorderingen. De toezichthoudende taak van de kantonrechter, waaronder het stellen van kritische vragen en het doen van een voordracht tot ontslag, is geen procedure in de zin van een geschil tussen partijen.
Daarnaast is verzoekster geen partij in een aanhangig geschil of verzoekschriftprocedure, waardoor zij niet bevoegd is tot wraking. De wrakingskamer benadrukte dat het recht op een onpartijdig gerecht volgens artikel 6 EVRM Pro alleen geldt bij berechting van burgerlijke rechten of strafzaken, wat hier niet aan de orde is.
De kamer concludeerde dat er onvoldoende aanwijzingen zijn voor vooringenomenheid van de kantonrechter en dat diens professionele beroepshouding mag worden aangenomen. Het wrakingsverzoek werd daarom niet-ontvankelijk verklaard en de beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 maart 2020.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek van verzoekster is niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen partij is in een aanhangig geschil en de procedure niet onder artikel 36 Rv valt.