ECLI:NL:RBDHA:2020:3288
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning wegens frauduleuze verkrijging na intern onderzoek IND
Eiser kreeg een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd toegekend met een beperking op grond van artikel 8 EVRM Pro. Naar aanleiding van een intern onderzoek van de IND naar een medewerker die mogelijk frauduleus vergunningen verstrekte, werd vastgesteld dat in het dossier van eiser onregelmatigheden voorkwamen, zoals het ontbreken van een aanvraag en bewijsstukken, en dat hij niet voldeed aan de voorwaarden voor vergunningverlening.
Verweerder trok de vergunning met terugwerkende kracht in en legde een inreisverbod op. Eiser stelde beroep in tegen deze besluiten en voerde onder meer aan dat de intrekking onterecht was, dat er geen belangenafweging was gemaakt, dat het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel was geschonden, en dat in vergelijkbare gevallen niet was ingetrokken.
De rechtbank oordeelde dat verweerder zijn bewijslast had voldaan en dat eiser dit niet had weerlegd. De belangenafweging was zorgvuldig gemaakt, en het beroep op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel faalde omdat eiser geen bijzondere omstandigheden had gesteld. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen omdat de gevallen niet vergelijkbaar waren. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning en het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.