ECLI:NL:RVS:2009:BK3313
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- T.M.A. Claessens
- C.H.M. van Altena
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking verblijfsvergunning asiel wegens onjuiste verklaringen en vertrouwensbeginsel
De hoofdpersoon en haar dochter werden in 1997 als vluchteling toegelaten en verkregen in 2001 een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Aan andere gezinsleden werden later verblijfsvergunningen voor bepaalde tijd verleend, die vervolgens werden omgezet in vergunningen voor onbepaalde tijd. De staatssecretaris ontdekte dat de hoofdpersoon bij haar aanvraag onjuiste gegevens had verstrekt, waaronder het opgeven van niet-eigen kinderen en het aanvragen van asiel onder meerdere namen.
Ondanks deze onjuistheden werd aanvankelijk geen onderzoek ingesteld om de verblijfsvergunningen in te trekken, en werden zelfs verblijfsvergunningen verleend aan andere gezinsleden. De rechtbank oordeelde dat de vreemdelingen gerechtvaardigd mochten vertrouwen dat de vergunningen niet zouden worden ingetrokken. De staatssecretaris stelde echter dat het vertrouwensbeginsel slechts geldt bij een expliciete mededeling dat onjuiste gegevens niet worden tegengeworpen.
De Raad van State bevestigde het oordeel van de rechtbank dat het handelen en nalaten van de staatssecretaris gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt bij de vreemdelingen. Desondanks is de intrekking van de verblijfsvergunningen gegrond op grond van de verstrekte onjuiste gegevens. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd ongegrond verklaard en de proceskosten werden aan hem opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunningen wordt bevestigd.