ECLI:NL:RBDHA:2020:3289
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning wegens frauduleuze aanvraag na intern IND-onderzoek
De zaak betreft de intrekking van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “overige humanitaire redenen”, verleend aan eiser met terugwerkende kracht tot 15 december 2016. Naar aanleiding van een intern onderzoek van de IND naar mogelijke fraude door een medewerker, waarbij 16 zaken werden onderzocht, is vastgesteld dat in het dossier van eiser onregelmatigheden aanwezig zijn die duiden op een frauduleuze vergunningverlening.
De IND heeft aannemelijk gemaakt dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor de vergunning, waaronder het ontbreken van een aanvraag en het niet betalen van leges. Eiser heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat hij een aanvraag heeft ingediend of aan de voorwaarden voldeed, en heeft geen bewijsstukken kunnen overleggen. Ook heeft hij zonder geldige reden niet deelgenomen aan een hoorzitting in de bestuurlijke fase.
De rechtbank oordeelt dat de intrekking niet in strijd is met het rechtszekerheids- of vertrouwensbeginsel, omdat eiser geen bijzondere omstandigheden heeft gesteld die een gerechtvaardigd vertrouwen rechtvaardigen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat andere gevallen niet vergelijkbaar zijn vanwege verschillen in omstandigheden en belangenafweging.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 8 april 2020.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.