ECLI:NL:RBDHA:2020:3290
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning wegens frauduleuze afgifte na intern onderzoek IND
De zaak betreft de intrekking van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking “gezinsleven op grond van artikel 8 EVRM Pro” met terugwerkende kracht tot 13 maart 2017. De intrekking volgde op een intern onderzoek van de IND naar mogelijke frauduleuze afgifte van verblijfsvergunningen door een medewerker. Uit het onderzoek kwamen 16 zaken naar voren met vergelijkbare kenmerken, waaronder die van eiser.
Verweerder stelde dat in het dossier van eiser onregelmatigheden en het ontbreken van een aanvraag en legesbetalingen waren geconstateerd, waardoor de vergunning onterecht was verleend. Eiser kon deze bevindingen niet gemotiveerd betwisten en verscheen zonder geldige reden niet op hoorzittingen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder aan zijn bewijslast had voldaan en dat eiser onvoldoende bewijs had geleverd om het tegendeel aan te tonen. Ook faalde het beroep op het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, omdat eiser geen bijzondere omstandigheden had gesteld die een gerechtvaardigd vertrouwen rechtvaardigden.
Daarnaast werd het beroep op het gelijkheidsbeginsel verworpen, omdat verweerder aannemelijk had gemaakt dat de andere gevallen niet vergelijkbaar waren. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.