Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.de vennootschap onder firma [naam vof] ,
[verweerder] ,
de besloten vennootschap Van Veen Beheer B.V.,
Rechtbank Den Haag
De werknemer was sinds december 2017 in dienst bij de werkgever op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die stilzwijgend werd verlengd tot juni 2019, waarna sprake was van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De werkgever beëindigde de arbeidsovereenkomst per 18 december 2019 vanwege het feit dat de werknemer als zelfstandige concurrerende werkzaamheden verrichtte zonder dit te melden.
De werknemer betwistte de beëindiging en stelde dat de opzegging niet rechtsgeldig was. De werkgever erkende echter dat de opzegging was ingetrokken en dat er een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd bestond. De werknemer hield zich ziek gemeld en verrichtte vanaf januari 2020 zelfstandige werkzaamheden. De werkgever stelde dat de werknemer de arbeidsovereenkomst zelf had opgezegd, wat de kantonrechter niet aannam.
De kantonrechter oordeelde dat de arbeidsovereenkomst nog bestond en dat partijen deze wilden beëindigen via ontbinding per 1 juni 2020. De werknemer had recht op loonbetaling tot en met februari 2020, maar niet daarna vanwege het handelen als zelfstandige en het niet meewerken aan re-integratie. De transitievergoeding werd toegekend, maar geen billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. De werkgever werd tevens veroordeeld tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten en het verstrekken van loonspecificaties.
Uitkomst: Arbeidsovereenkomst ontbonden per 1 juni 2020 met gedeeltelijke loondoorbetaling tot februari 2020 en toekenning transitievergoeding.