Eiser, een gewezen militair, verzocht om herziening van de einddatum van zijn uitkering op grond van de Uitkeringswet Gewezen Militairen (UGM), zodat deze aansluit op de AOW-leeftijd. Verweerder wees dit verzoek af en handhaafde de einddatum op 65 jaar, conform het ABP-pensioenreglement. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit.
De rechtbank overwoog dat de situatie van eiser vergelijkbaar is met eerdere uitspraken van de Centrale Raad van Beroep, waarin werd bevestigd dat de pensioengerechtigde leeftijd voor gewezen militairen op 65 jaar blijft, ondanks de verhoging van de AOW-leeftijd. De rechtbank oordeelde dat de regeling die een compensatie biedt voor het inkomensverlies door het AOW-gat een legitieme oplossing is en dat er geen sprake is van onrechtmatige rechtsongelijkheid.
Eiser voerde daarnaast aan dat de regeling onvoldoende onderbouwd is en dat de verdeling van middelen niet eerlijk zou zijn. De rechtbank verwierp deze bezwaren, verwijzend naar eerdere jurisprudentie. Ook het beroep op een excessieve inbreuk op de gerechtvaardigde aanspraken faalde, mede omdat de compensatie wordt verhoogd van 90% naar 100%.
Ten slotte oordeelde de rechtbank dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak met ruim tien maanden was overschreden, waarvoor een schadevergoeding van € 250,- werd toegekend. Het beroep werd ongegrond verklaard en de Staat werd veroordeeld tot betaling van proceskosten en schadevergoeding.