De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek tot teruggeleiding van een minderjarige die door de moeder zonder toestemming van de vader uit Portugal naar Nederland was gebracht. De ouders hadden gezamenlijk gezag en de gewone verblijfplaats van het kind was Portugal. De moeder stelde dat er een overeenkomst bestond over vestiging in Nederland, maar de rechtbank oordeelde dat er geen overeenstemming was over een definitieve wijziging van de verblijfplaats.
De rechtbank concludeerde dat de moeder het kind ongeoorloofd in Nederland heeft achtergehouden in strijd met het Haags Kinderontvoeringsverdrag. De vader had geen berusting getoond in het verblijf van het kind in Nederland en had direct stappen ondernomen om terugkeer te bewerkstelligen. De moeder voerde verweren aan op grond van weigeringsgronden, maar deze werden verworpen omdat onvoldoende concreet gevaar voor het kind was aangetoond.
De rechtbank gelastte de onmiddellijke terugkeer van het kind naar Portugal uiterlijk 10 juli 2020, met de verplichting voor de moeder om het kind terug te brengen of af te geven aan de vader met geldige reisdocumenten. De proceskosten werden ieder voor eigen rekening gelaten. De beschikking werd gegeven door drie kinderrechters en is vatbaar voor hoger beroep binnen twee weken.