ECLI:NL:RBDHA:2020:5931
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij intrekking bijstand wegens niet meewerken huisbezoek
Verzoeker ontving sinds 2014 een bijstandsuitkering en verhuisde in maart 2019 naar een nieuw adres. Na het niet verschijnen op een werkdag en ziekmelding, startte de gemeente een onderzoek naar zijn recht op bijstand. Dit onderzoek bestond onder meer uit het opvragen van waterverbruikgegevens, het afleggen van een onaangekondigd huisbezoek en het horen van buren. Verzoeker verscheen niet op een gepland gesprek, maar wel op een vervolgafspraak op 29 januari 2020, waar hij de medewerking aan een aansluitend huisbezoek weigerde.
De gemeente trok daarop de bijstand per 29 januari 2020 in en verrekende een teruggevorderd bedrag met vakantietoeslag. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van een spoedeisend belang en dat het primaire besluit onvoldoende gemotiveerd was, maar dat dit gebrek in bezwaar kon worden hersteld.
De rechter stelde vast dat er een redelijke grond was voor het huisbezoek vanwege een extreem laag waterverbruik en de verklaring van verzoeker dat hij slechts enkele dagen per week thuis verbleef. Omdat verzoeker geweigerd had mee te werken ondanks waarschuwing over de gevolgen, mocht de gemeente de bijstand intrekken. De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af en bepaalde dat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel openstaat.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de intrekking van de bijstand blijft van kracht.