ECLI:NL:RBDHA:2020:6220
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Herziening en terugvordering AOW-toeslag wegens inkomen partner boven inkomensgrens
Eiser ontving een AOW-toeslag waarvan later bleek dat de partner inkomsten had die de inkomensgrens overschreden. Verweerder herzag de toeslag over de periode januari 2017 tot en met juni 2019 en vorderde het teveel betaalde bedrag terug.
Eiser betwistte de terugvordering en voerde aan dat hij de inkomsten van zijn partner tijdig had gemeld en dat de terugvordering vanaf januari 2019 onterecht was omdat de partner toen geen inkomen meer had. De rechtbank oordeelde dat eiser redelijkerwijs had moeten begrijpen dat het inkomen van zijn partner invloed had op de toeslag en dat de wettelijke verplichting tot terugvordering geldt, ook al heeft verweerder enige tijd gewacht met herziening.
De rechtbank wees het beroep af omdat geen dringende redenen waren om van terugvordering af te zien. De terugvordering was in overeenstemming met de dwingendrechtelijke bepalingen van de AOW en het beleid van de Sociale Verzekeringsbank.
Uitkomst: Het beroep tegen de herziening en terugvordering van de AOW-toeslag wordt ongegrond verklaard.