ECLI:NL:RBDHA:2020:6277
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende bewijs familierechtelijke relatie
Eiser, met de Eritrese nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) op grond van een vermeende familierechtelijke relatie met zijn echtgenote, referente, die een verblijfsvergunning asiel in Nederland heeft. Verweerder wees de aanvraag af omdat de identiteit van eiser en de gezinsband met referente niet aannemelijk waren gemaakt, mede vanwege het ontbreken van officiële documenten die het huwelijk bevestigen.
Verweerder nam geen bewijsnood aan en concludeerde dat de overgelegde kerkelijke huwelijksakte niet als geldig bewijs kon dienen, mede op basis van een deskundigenrapport van het Bureau Documenten dat stelde dat het document waarschijnlijk niet bevoegd was opgemaakt. Daarnaast waren er tegenstrijdige verklaringen van eiser en referente over de relatie en het huwelijk.
Eiser voerde aan dat de kerkelijke akte geen vals document was en dat getuigenverklaringen het huwelijk konden bevestigen, maar de rechtbank oordeelde dat een getuigenverklaring in deze fase niet passend was en dat verweerder voldoende gemotiveerd had waarom de relatie niet aannemelijk was gemaakt.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht het verzoek om een machtiging tot voorlopig verblijf had afgewezen en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van de familierechtelijke relatie.