ECLI:NL:RBDHA:2020:6281
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning wegens verplaatsing hoofdverblijf buiten Nederland
Eiser, een Turkse nationaliteit dragende persoon met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd sinds 1992, is per 17 november 2014 uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen met de status 'Registratie Niet-Ingezetenen'. Verweerder heeft de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht ingetrokken omdat eiser langer dan twee jaar buiten Nederland verbleef en daarmee zijn hoofdverblijf buiten Nederland heeft gevestigd.
Eiser voerde aan dat hij vanwege persoonlijke omstandigheden en militaire dienstplicht in Turkije verbleef, zonder de intentie om zijn hoofdverblijf te verplaatsen. Hij stelde dat het beleid van verweerder onjuist werd toegepast en dat hij op grond van het Associatierecht en het EVRM recht had op verblijf. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs leverde om zijn verblijf in Nederland gedurende de betwiste periode aan te tonen en dat hij niet aannemelijk maakte dat hij Nederland slechts tijdelijk had verlaten voor militaire dienst.
De rechtbank verwierp ook het beroep op de standstill-bepaling van Besluit 1/80 en de aangehaalde jurisprudentie, omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarden en het hoofdverblijf feitelijk buiten Nederland was gevestigd. Verder was er geen sprake van een beschermingswaardig gezinsleven conform het arrest Chavez-Vilchez. Verweerder mocht afzien van het horen van eiser bij bezwaar omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
Uiteindelijk oordeelde de rechtbank dat het bestreden besluit terecht was genomen en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning is ongegrond verklaard en de intrekking bevestigd.