Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 15 juli 2020 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
- erflaatster van 3 december 1993 tot 1 februari 2005 en van 1 augustus 2005 tot 16 oktober 2013;
- eiser van 3 december 1993 tot 1 september 2016;
- [E] van 1 mei 1996 tot 18 september 2000;
- [F] , de zoon van eiser, van 18 september 2000 tot 1 januari 2001, van 16 oktober 2013 tot 1 juni 2014 en vanaf 1 februari 2015;
- [stichting 2] van 16 november 2007 tot 14 december 2007 en vanaf
- [G] van 1 juni 2014 tot 31 oktober 2014;
- [H] vanaf 1 september 2016.
- Op 14 januari 1994 is het pand [Laan 1] [huisnummer 1] aangekocht voor ƒ 240.000 met een hypothecaire lening van ƒ 415.000 van Aegon. Vanaf de derdenrekening van de notaris is door [stichting 1] een bedrag van ƒ 40.156,37 naar erflaatster overgemaakt. Het resterende bedrag is in de stichting gebleven.
- Op 15 juli 1996 is het appartementsrecht [straat 2] 97 gekocht voor ƒ 187.000 met een hypothecaire lening van ƒ 187.000.
- Op 28 april 1999 is het pand [straat 2] [huisnummer 4] gekocht voor ƒ 60.000 met een hypothecaire lening van ƒ 60.000. Dit pand is gekocht van erflaatster. Erflaatster heeft op 1 mei 1999 een bedrag van ƒ 60.000 op de rekening van [stichting 1] gestort. Op 19 mei 1999 wordt ƒ 60.000 door [stichting 1] overgemaakt aan erflaatster.
- Op 4 januari 2008 is het pand [Laan 2] [huisnummer 2] gekocht voor € 230.000 met een hypothecaire lening van € 156.000.
Geschil8. In geschil is of de aanslag erfbelasting, zoals verminderd bij de uitspraak op bezwaar, op het juiste bedrag is vastgesteld. Meer specifiek is in geschil of de bezittingen en schulden van [stichting 1] behoren tot het vermogen van erflaatster en derhalve in de nalatenschap van erflaatster vallen.
[huisnummer 1] . (…)”