ECLI:NL:RBDHA:2020:7935

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 augustus 2020
Publicatiedatum
19 augustus 2020
Zaaknummer
NL20.12619
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 8 DublinverordeningArt. 9 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningVerordening (EU) nr. 604/2013
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet-behandeling asielaanvraag wegens Dublinverordening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen. Dit besluit is genomen op grond van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en de Dublinverordening, waarbij Nederland Duitsland verantwoordelijk acht voor de behandeling van de aanvraag.

De rechtbank stelt vast dat eiser meerderjarig is en daarom artikel 8 van Pro de Dublinverordening, dat betrekking heeft op niet-begeleide minderjarigen, niet op hem van toepassing is. Ook het beroep op artikel 9, dat gezinsleden beschermt, wordt verworpen omdat broers niet als gezinsleden in de zin van de verordening worden beschouwd. Verder is onvoldoende gebleken van bijzondere individuele omstandigheden die toepassing van artikel 17, dat overdracht bij onevenredige hardheid kan voorkomen, rechtvaardigen.

De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en wijst het af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.12619

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [#]
(gemachtigde: mr. A.J.M. Mohrmann),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. K. van der Heijden).

Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juli 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen F. Haloob. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw); daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 25 februari 2020 aanvaard.
2. De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser geen beroepsgronden heeft gericht tegen het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland.
3. Eiser voert, onder verwijzing naar de beroepszaak van zijn broer [-] (zaaknummer NL20.12623), aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat eisers broer meerderjarig is, waardoor artikel 8 Dublinverordening Pro ten onrechte buiten toepassing is gelaten.
3.1
De rechtbank oordeelt als volgt. In artikel 8 Dublinverordening Pro is bepaald dat indien de verzoeker een niet-begeleide minderjarige is, de verantwoordelijke lidstaat de lidstaat is waar een gezinslid, broer of zus van de niet-begeleide minderjarige zich ophoudt, voor zover dit in het belang van de minderjarige is. In dit geval is eiser evenwel geen niet-begeleide minderjarige. Vast staat immers dat eiser meerderjarig is. Voorts houdt eiser zich niet wettig op in een van de lidstaten. Ook indien de broer van eiser uiteindelijk als minderjarige zou worden aangemerkt, gaat dit wetsartikel daarom niet voor eiser op. De rechtbank is daarom met verweerder van oordeel dat artikel 8 Dublinverordening Pro niet voor eiser geldt. De beroepsgrond slaagt niet.
4. Eiser voert verder aan dat verweerder ten onrechte overweegt dat artikel 9 Dublinverordening Pro niet van toepassing is. Eiser dient als gezinslid in de zin van artikel 9, in samenhang met artikel 2 Dublinverordening Pro te worden aangemerkt, omdat eiser, eisers broer [naam] en eisers rechtmatig in Nederland verblijvende broer [naam 2] bij elkaar willen blijven in Nederland. [naam] en eiser hebben samen gereisd, samen lief en leed gedeeld en zijn compleet met elkaar vergroeid als gezinsleden. De stelling van verweerder dat hoofdstuk III van de Dublinverordening niet op eiser van toepassing is omdat sprake is van terugname door Duitsland, volgt eiser niet, gelet op rechtsoverweging 4.1 van de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag van 22 november 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:14177 [1] ). Verweerder is zonder nadere motivering voorbijgegaan aan het door eiser in de zienswijze gestelde waarom niet toch toepassing dient te worden gegeven aan artikel 9 Dublinverordening Pro.
4.1
De rechtbank oordeelt als volgt. Los van de vraag of eiser een beroep kan doen op de bepalingen van hoofdstuk III van de Dublinverordening, is de rechtbank van oordeel dat eisers beroep op artikel 9 Dublinverordening Pro niet kan slagen. Verweerder heeft zich daartoe terecht op het standpunt gesteld dat broers niet kunnen worden aangemerkt als gezinsleden in de zin van artikel 2 Dublinverordening Pro. De beroepsgrond slaagt niet.
5. Eiser voert verder aan dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden, of dat de overdracht van een onevenredige hardheid zou getuigen in welk geval toepassing dient te worden gegeven aan artikel 17 Dublinverordening Pro. Deze overweging is zonder nadere motivering onbegrijpelijk, met verwijzing naar hetgeen hij reeds hiervoor naar voren heeft gebracht, en in de zienswijze en in het aanmeldgehoor.
5.1
De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om het verzoek om internationale bescherming van eiser in Nederland te behandelen op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro, nu eiser geen (andere) bijzondere individuele omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan overdracht van een onevenredige hardheid zou getuigen. Eiser heeft niet aangetoond dat een zodanig afhankelijke band bestaat tussen hem en zijn broer [naam] , dan wel tussen hem en zijn broer [naam 2] . De enkele stelling dat eiser en zijn broers bij elkaar wensen te blijven en dat eiser en [naam] samen hebben gereisd, lief en leed hebben gedeeld en compleet met elkaar zijn vergroeid, is daartoe onvoldoende. Deze beroepsgrond slaagt niet.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Mac Donald, rechter, in aanwezigheid van mr. C.H. Gall, griffier.
De uitspraak is gedaan op:
Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak nog niet uitgesproken op en openbare uitsprakenzitting. Zodra het uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.zie ook het arrest H. en R. van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 2 april 2019 (ECLI:EU:C:2019:280) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 31 oktober 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3672)