ECLI:NL:RBDHA:2019:14177
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet-inbehandelingname asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, een Azerbeidzjaanse vreemdeling, diende in Nederland een asielaanvraag in, maar deze werd niet in behandeling genomen omdat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk was. Eerder had eiser in Duitsland en Italië verzoeken om internationale bescherming ingediend. De Duitse autoriteiten hadden ingestemd met terugname van eiser.
Eiser stelde dat hij zijn verzoek in Duitsland impliciet had ingetrokken door het land te verlaten voordat de procedure tot vaststelling van de verantwoordelijke lidstaat was afgerond, en beriep zich op het arrest H en R en andere jurisprudentie. De rechtbank onderzocht of de procedure in Duitsland al was afgerond bij vertrek van eiser.
De rechtbank oordeelde dat eiser in Nederland geen beroep kon doen op hoofdstuk III van de Dublinverordening, tenzij hij zijn verzoek in Duitsland had ingetrokken terwijl de procedure nog niet was afgerond. Uit de verklaringen en het claimverzoek bleek echter dat de procedure in Duitsland was afgerond. Het beroep van eiser faalde, mede omdat het arrest Kastrati niet van toepassing was op deze situatie.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter A.E. Dutrieux en griffier R. Kroes.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag is ongegrond verklaard.