ECLI:NL:RBDHA:2020:7987
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening wegens ontbreken spoedeisend belang bij uitzetting
Verzoeker, van Surinaamse nationaliteit, had een verblijfsvergunning die met terugwerkende kracht werd ingetrokken en kreeg een inreisverbod opgelegd. Tegen dit besluit loopt een beroepsprocedure die is aangehouden vanwege prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.
Verzoeker werd in vreemdelingenbewaring gesteld met het oog op uitzetting en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening die uitzetting zou verbieden tot vier weken na uitspraak op het beroep. Verweerder stelde dat geen spoedeisend belang bestond omdat er geen concrete uitzettingsdatum was.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het ontbreken van een concrete uitzettingsdatum en het bestaan van andere rechtsmiddelen het spoedeisend belang ontbrak. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.