ECLI:NL:RBDHA:2020:8437
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bijstand wegens onweerlegbaar rechtsvermoeden gezamenlijke huishouding
Verzoeker heeft een aanvraag voor een bijstandsuitkering ingediend die door het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas is afgewezen op grond van het onweerlegbaar rechtsvermoeden dat hij met zijn ex-partner een gezamenlijke huishouding voert. Verzoeker voerde aan dat hij geen gezamenlijke huishouding voerde omdat zij geen gezamenlijke verzekeringen of bankrekeningen hadden, geen gezamenlijke maaltijden nuttigden en geen gezamenlijke activiteiten ondernamen. Hij verbleef slechts doordeweeks in de woning van zijn ex-partner vanwege dakloosheid en de coronacrisis.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het zwaartepunt van verzoekers persoonlijk leven lag in de woning van zijn ex-partner, waar hij het grootste deel van de week verbleef, persoonlijke spullen bewaarde en post ontving. Gelet op de geboorte van twee kinderen uit de relatie geldt het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding volgens artikel 3 lid 4 Pw Pro. Dit rechtsvermoeden leidt ertoe dat verzoeker geen zelfstandig recht op bijstand heeft.
De voorzieningenrechter achtte het spoedeisend belang aanwezig vanwege het ontbreken van inkomsten en de dreiging van een financiële noodsituatie, maar wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen vanwege het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding.